Toetsing primaire waterkeringen
Handboek water
Inhoud pagina: Toetsing primaire waterkeringen
In artikel 2.12, eerste lid van de Waterwet is voor de beheerder van de primaire waterkering de verplichting neergelegd iedere zes jaar aan gedeputeerde staten verslag uit te brengen over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen.
Om de rapportage op te kunnen stellen worden de primaire waterkeringen door de beheerder (de waterschappen en Rijkswaterstaat) getoetst. De zogenoemde derde toetsronde is formeel op 15 januari 2006 van start gegaan en wordt in 2011 met een landelijke toetsrapportage en evaluatie afgerond. Het doel van de toetsing is om aan te tonen of de waterkering (al dan niet) aan de veiligheidsnorm voldoet op de peildatum van 15 januari 2011.
De beheerder van de primaire waterkering voert bij deze toetsing een zo volledig mogelijke veiligheidsbeoordeling uit. Uit deze beoordeling blijkt enerzijds of de kering aan de veiligheidsnorm voldoet, anderzijds blijkt uit de veiligheidsbeoordeling wat er de komende jaren nodig is om de primaire waterkeringen aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. Als blijkt dat de primaire waterkering niet aan de veiligheidsnorm voldoet moet in het verslag aan gedeputeerde staten een omschrijving worden opgenomen van de voorzieningen die op termijn noodzakelijk zijn om de waterkering aan de veiligheidsnorm te laten voldoen (Waterwet artikel 2.12, vijfde lid).
De verslagen van de beheerders zijn de basis voor het verslag dat gedeputeerde staten aan de Minister van Infrastructuur en Milieu uitbrengt over de veiligheid van de dijkringen in hun provincie (Waterwet artikel 2.12, derde lid). Indien een dijkring in meer dan één provincie is gelegen brengen gedeputeerde staten van die provincies gezamenlijk verslag uit aan de minister. De minister stelt op grond van de verslagen van gedeputeerde staten een verslag op voor de Tweede en Eerste Kamer over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen in Nederland. In de praktijk wordt deze rapportage aan het parlement de ‘Landelijke toetsing' genoemd.
Uiterlijk een jaar nadat de minister zijn verslag over de veiligheid van de dijkringen aan het parlement heeft aangeboden zendt de minister een overzicht naar het parlement van de maatregelen die door de beheerders worden getroffen met betrekking tot de primaire waterkeringen die niet aan de veiligheidsnorm voldoen, samen met een voorstel voor de financiering van deze maatregelen. Dit wordt het Hoogwaterbeschermingsprogramma genoemd (Waterwet artikel 2.12, zesde lid).
Hieronder wordt het toetsingsproces door de beheerder nader uitgewerkt en toegelicht.
Toetsing van de primaire waterkeringen: Wettelijk kader
In de Waterwet artikel 2.12, vierde lid is de basis voor het toetsen van de primaire waterkeringen neergelegd. Bij de toetsing moet rekening worden gehouden met:
- de vastgestelde veiligheidsnorm (Waterwet artikel 2.2, eerste en tweede lid);
- de vastgestelde hydraulische randvoorwaarden (Waterwet artikel 2.3, eerste lid);
- de technische leidraden voor het ontwerp, beheer en onderhoud van primaire waterkeringen (Waterwet artikel 2.6);
- de legger van de primaire waterkering (Waterwet artikel 5.1);
- de bij Ministeriële regeling (Regeling veiligheid primaire waterkeringen) vastgestelde nadere regels.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Waterwet is de Regeling veiligheid primaire waterkeringen vastgesteld. Deze regeling bevat in de bijlagen de "Hydraulische randvoorwaarden primaire waterkeringen" (HR 2006) en het "Voorschrift toetsen op veiligheid primaire waterkeringen" (VTV 2006) (zie de website van Helpdesk Water).
- De HR 2006 leggen de relatie vast tussen de hoogwaterstanden en overschrijdingskansen, waarvan de beheerder dient uit te gaan bij het bepalen van het waterkerend vermogen van de primaire waterkeringen.
- In de VTV 2006 zijn voorschriften opgenomen voor de door de beheerder te verrichten beoordeling van de veiligheid van de door hem beheerde primaire waterkeringen. De HR 2006 en het VTV 2006 vormen samen het wettelijk toetsinstrumentarium. De hydraulische randvoorwaarden worden telkens voor zes jaar vastgesteld.
Zowel het VTV 2006 als de HR 2006 spelen dus een belangrijke rol bij de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen. Het VTV 2006 en de HR 2006 gelden in ieder geval voor de derde toetsronde van primaire waterkeringen. Daarnaast zijn door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in overleg met de Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg (IPO) procesafspraken voor de derde ronde toetsing vastgelegd in het Draaiboek Toetsen Primaire Waterkeringen voor de derde toetsronde (pdf).
De toetssystematiek nader bekeken
De beoordeling van de veiligheid tegen overstromen van een dijkringgebied door hoog buitenwater gebeurt stapsgewijs. De beheerder deelt het stelsel van primaire waterkeringen en hoge gronden dat het dijkringgebied omsluit in naar categorieën primaire waterkering (a, b, c en d) en hoge gronden. Vervolgens wordt de primaire waterkering verder opgedeeld in secties. Per sectie wordt het type kering bepaald: dijk, dam, hoge grond, duin, kunstwerk of aansluiting tussen twee types waterkering.
Per type waterkering worden in de VTV 2006 de methodes (toetsingsregels en beheerdersoordeel) en de toetssporen aangegeven, waarop de veiligheid beoordeeld moet worden met gebruik van de toetsingsregels uit de VTV 2006.
De per dijkringgebied te onderzoeken aspecten zijn geclusterd in drie hoofdsporen:
- hoogte (HT);
- stabiliteit (ST);
- betrouwbaarheid sluiting (BS).
Afhankelijk van het keringtype worden één of meer van deze hoofdsporen doorlopen. Per toetsspoor wordt een beoordelingsschema doorlopen om te komen tot een (deel)score volgens de toetsingsregels in het VTV 2006 (zie de website van Helpdesk Water). De deelscores per toetsspoor worden vervolgens samengevoegd per type waterkering om te komen tot een eindscore per sectie volgens de toetsingsregels.
Beoordeling primaire waterkering
Bij de beoordeling op de norm voldoet de primaire waterkering niet als van een of meer secties niet aangetoond kan worden dat water veilig gekeerd kan worden bij maatgevende condities. Dit treedt op als ergens in het keringstelsel van het dijkringgebied te weinig kerende hoogte (HT) aanwezig is, óf als, bij voldoende kerende hoogte, de stabiliteit (ST) van de kering onvoldoende is, of als bij voldoende kerende hoogte en stabiliteit, de betrouwbaarheid van de sluiting van afsluitmiddelen (BS) onvoldoende is.
Bij het beoordelen van een primaire waterkering worden naast de eindscores volgens de toetsingsregels in het VTV 2006 ook de door de beheerder opgedane kennis over en ervaring met het gedrag van de betreffende waterkering meegewogen bij het vaststellen van de uiteindelijke eindscore per sectie. De beoordeling van een sectie leidt dan ook tot twee scores: de eindscore volgens de toetsingsregels en het beheerdersoordeel.
Indien het beheerdersoordeel afwijkt van de eindscore volgens de toetsingsregels moet een afweging worden gemaakt om tot de eindscore voor de sectie te komen. Deze afweging wordt uitgewerkt in het kader van het Draaiboek Toetsen Primaire Waterkeringen voor de derde toetsronde.
De eindscore per sectie wordt per sectie vertaald naar een veiligheidsoordeel:
- de eindscores ‘goed' en ‘voldoende' voor de sectie worden vertaald naar het veiligheidsoordeel ‘voldoet aan de norm' voor diezelfde sectie;
- de eindscore ‘onvoldoende' voor de sectie wordt vertaald naar het veiligheidsoordeel ‘voldoet niet aan de norm' voor diezelfde sectie.
Als laatste stap worden de veiligheidsoordelen per sectie samengevoegd tot een veiligheidsoordeel voor het dijkringgebied, waarbij het slechtste veiligheidsoordeel per sectie tevens het veiligheidsoordeel voor het dijkringgebied is.
Als een waterkering niet aan de veiligheidsnorm voldoet, betekent dat overigens niet dat de situatie acuut onveilig is of dat met zekerheid een overstroming plaatsvindt bij een maatgevende hoogwatersituatie.
Verslaglegging van de toetsing en vervolg
De beheerder moet op grond van Waterwet artikel 2.12, vijfde en zesde lid de bevindingen van de toetsing rapporteren aan gedeputeerde staten. De wijze van presentatie van de resultaten van de toetsing wordt in de VTV 2006 geregeld. Daarin is opgenomen dat per dijkringgebied een schriftelijke rapportage moet worden opgesteld met een digitale rapportage. De schriftelijke rapportage bevat een beschrijving van het dijkringgebied met een overzichtskaart en de resultaten van de toetsing aangevuld met:
- de ervaringen opgedaan met het toetsen;
- het gevoerd beheer;
- een plan van aanpak voor voorziene verbeteringen in geval van secties met een eindscore ‘onvoldoende';
- een plan van aanpak voor de volgende toetsronde in geval een oordeel niet mogelijk is, opdat de volgende toetsronde wel een eindscore toegekend kan worden.
Voor de secties die een eindscore ‘onvoldoende' volgens de toetsingsregels hebben geeft de beheerder aan welke voorzieningen op welke termijn noodzakelijk geacht worden. Voor secties waarvoor geen eindscore mogelijk is geeft de beheerder aan door welke oorzaak geen eindscore toegekend kan worden, zoals onvoldoende informatie over de waterkering, ontoereikende randvoorwaarden of het ontbreken van een geschikte toetsmethodiek. Tevens geeft de beheerder aan wat wordt ondernomen, opdat bij de eerstvolgende toetsing wel een eindscore toegekend kan worden.
Toetsing van de grote rivieren (ligging van de rivierbodem)
De veiligheid van gebieden tegen overstromingen wordt niet alleen bepaald door de sterkte van de primaire waterkeringen, maar ook door rivierafvoeren en waterstanden. Het is voor de veiligheid van de primaire waterkeringen namelijk van belang dat de ligging van de rivierbodem geen nadelige invloed heeft op de vigerende hoogwaterstanden. Met de rapportageverplichting van Waterwet artikel 2.14, tweede lid moet de beheerder van het buitenwater (de grote rivieren) daarom inzicht geven in hoeverre het beheer en onderhoud van de rivier bijdraagt aan de handhaving van het leggerprofiel en de voor de waterkering geldende hoogwaterstanden. Deze hoogwaterstanden zijn vastgelegd in de HR 2006.
Met het verslag over de primaire waterkeringen en het verslag over de grote rivieren kunnen gedeputeerde staten in hun verslaglegging aan de Minister een volledig beeld geven van de aspecten die een rol spelen bij de handhaving van de wettelijke beschermingsnorm. Bij de derde toetsronde wordt de toetsing van de grote rivieren voor het eerst meegenomen.

