Toetsing regionale waterkeringen

Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen worden vastgesteld.

Artikel 2.5 van de Waterwet verplicht provincies ook de hydraulische randvoorwaarden voor de regionale waterkeringen vast te leggen. In de IPO modelverordening, die als richtlijn heeft gediend voor de provinciale waterverordeningen, is een bepaling opgenomen over de normering van de regionale waterkeringen. Deze bepaling regelt de vaststelling van de veiligheidsnorm, het vaststellen van een technische leidraad voor het ontwerp van regionale waterkeringen en het vaststellen van voorschriften voor de te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen, vergelijkbaar met het 'Voorschrift Toetsen op Veiligheid bij primaire waterkeringen' (zie rechts op deze pagina). De hydraulische randvoorwaarden zijn veelal in afzonderlijke besluiten van gedeputeerde staten vastgelegd.

De Waterwet geeft geen regeling voor de toetsing van de aangewezen regionale waterkeringen. De wetgever heeft de regeling van de toetsing van de regionale waterkeringen geheel overgelaten aan de provincies. In de IPO modelwaterverordening is over de toetsing een voorbeeldartikel opgenomen. Dit artikel geeft aan dat de beheerder van de regionale waterkering iedere zes jaar verslag dient uit te brengen aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer. Het verslag moet een beoordeling van de veiligheid bevatten. De regionale waterkeringen moeten onder andere worden beoordeeld in het licht van de veiligheidsnorm, de technische leidraad, de hydraulische randvoorwaarden, de voorschriften over het toetsen op veiligheid en de legger. En indien de toetsing daartoe aanleiding geeft moet in het verslag een overzicht worden opgenomen van de maatregelen die nodig zijn om de regionale waterkering aan de norm te laten voldoen.

De toetsing van regionale waterkeringen

De wijze van toetsing van regionale waterkeringen komt sterk overeen met de wijze van toetsing van primaire waterkeringen. Het grote verschil is echter dat de provincies geen uniforme hydraulische randvoorwaarden en voorschriften voor het toetsen op veiligheid hebben vastgesteld. Daarvoor zijn de regionale verschillen te groot.

In algemene zin zal de wijze van toetsing van de regionale waterkeringen dus vergelijkbaar zijn met de toetsing van de primaire waterkeringen. Zie ook: Toetsing van primaire waterkeringen

De veiligheid van een regionale waterkering wordt beoordeeld ten aanzien van meerdere faalmechanismen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de verschillende typen regionale waterkeringen, te weten:

  • boezemkaden en -keringen langs regionale rivieren
  • compartimenteringskeringen of droge keringen, die pas functioneren na het falen van een primaire waterkering
  • voorlandkeringen en zomerkaden, die buitenwater keren maar geen primaire waterkeringen zijn

De beoordeling per faalmechanisme geschiedt op basis van een toetsspoor. De wijze van beoordeling is veelal beschreven in het voorschrift toetsen van regionale waterkeringen (in sommige provincies ook Leidraad genoemd).

De uitwerking van een toetsspoor resulteert in een (technische) waardering voor de veiligheid ten aanzien van het beschouwde faalmechanisme. Het is daarbij denkbaar dat op basis van een toetsspoor niet tot een technische score kan worden gekomen, bijvoorbeeld doordat onvoldoende informatie aanwezig is. In deze gevallen maakt de eigen inschatting van de beheerder van de regionale waterkering over de veiligheid deel uit van de veiligheidstoetsing. Hierbij mag de beheerder de veiligheid ten aanzien van een faalmechanisme beoordelen op grond van ervaringen of kennis die niet wordt gebruikt in de toetssporen. Indien de beoordeling van een faalmechanisme op basis van een toetsspoor dus resulteert in de technische score "geen oordeel", kan op basis van het beheerdersoordeel toch een eindscore voor het toetsspoor worden opgesteld.

Eindoordeel

Op basis van de scores van alle toetssporen wordt per regionale waterkering een eindoordeel over de veiligheid opgesteld. Dit eindoordeel betreft de laagste score van één van de toetssporen. Een regionale waterkering voldoet aan de toetscriteria indien geen van de toetssporen resulteert in de eindscore "onvoldoende" of"geen oordeel". De veiligheid van de regionale waterkering voldoet dan aan de norm.
Indien één van de toetssporen, zonodig inclusief het beheerdersoordeel, resulteert in de score "onvoldoende" of "geen oordeel", dan voldoet de veiligheid van de regionale waterkering niet.


Uw onderwerpen

Zie Helpdesk Water