Wanneer viel een bedrijf onder het Besluit melkrundvee of het Besluit akkerbouw?

Vraag

Wanneer was destijds het Besluit melkrundvee of het Besluit akkerbouw van toepassing?

Antwoord

Het Besluit melkrundvee en het Besluit akkerbouw zijn vervallen met inwerkingtreding van het Besluit landbouw, dat op zijn beurt is vervallen met inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit. Toch kan het ook nu nog soms nodig zijn om te bepalen of het Besluit melkrundvee of het Besluit akkerbouw destijds van toepassing was.

In het Besluit melkrundvee en het Besluit akkerbouw stonden toelatingscriteria om onder het besluit te vallen. Daarnaast gold het vereiste dat een bedrijf 'uitsluitend of in hoofdzaak bestemd' moest zijn voor die bepaalde activiteit van toepassing. Of een besluit wel of niet van toepassing is, is in jurisprudentie aan de orde gekomen.

Nevenactiviteit als zelfstandige inrichting

De nevenactiviteiten mochten niet te groot zijn. In de volgende uitspraken waren de nevenactiviteiten wel te groot: de nevenaciviteiten werden gezien als inrichting in de zin van artikel 1.1 Wet milieubeheer, waardoor het Besluit niet van toepassing was.

  • In de uitspraak van de ABRvS 200004089/2 van 24 april 2002 (Loenen) ging het om een ijzerwarenwinkel annex aannemersbedrijf.
  • In ABRvS nr. 200202924/1 van 29 januari 2003 (Voerendaal) betrof het een landbouwmechanisatiebedrijf dat daarnaast handelde in paardenbenodigheden en vijf paarden in zeven paardenboxen hield.
  • In ABRvS nr. 200300690/1 van 4 februari 2004 (Sassenheim) was aan de orde een autoherstelbedrijf annex tankstation. "Voor beantwoording van de vraag of de inrichting in hoofdzaak bestemd is voor deze activiteiten, kan een aanwijzing zijn of de activiteiten in het tankstation, als nevenactiviteiten, een zodanige omvang hebben dat deze, als afzonderlijke activiteit beschouwd, zouden hebben te gelden als inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de activiteiten in het tankstation een zodanige omvang dat deze, als afzonderlijke activiteit beschouwd, hebben te gelden als inrichting in de zin van de vorengenoemde artikelleden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat de inrichting in hoofdzaak is bestemd voor de activiteiten als bedoeld in het eerdergenoemde artikel 2, eerste lid, van het Besluit motorvoertuigen."
  • In ABRvS nr. 200201903/1 van 18 juni 2003 (Reimerswaal) oordeelde de Afdeling, dat ondanks dat sprake was van een activiteit die als zelfstandige inrichting kon worden beschouwd, het Besluit wel van toepassing was: "In het onderhavige geval overheersen echter de activiteiten die betrekking hebben op het verbouwen van akkerbouwproducten op of in de open grond, gelet op hun aard en omvang, zodanig dat de inrichting reeds daarom geacht moet worden daarvoor in hoofdzaak bestemd te zijn."
  • Een akkerbouwbedrijf dat tevens rozen verkocht, viel wel onder het Besluit akkerbouw; zie ABRvS nr. 00305506/1 van 28 januari 2004 (Geldermalsen).
  • Ook een akkerbouwbedrijf waar de overgebleven spoelcapaciteit gebruikt werd voor het spoelen van bloembollen en aardappelen voor derden viel onder het Besluit akkerbouw, ABRvS 2ABRvS nr. 200305852/1 van 4 februari 2004 (Hunsel).

Feitelijk aantal dieren

Uit ABRvS nr. 200308895/1 van 1 september 2004 (Geldermalsen) blijkt dat het feitelijk aantal dieren bepalend is en niet de stalcapaciteit.

Houden van dieren bij een akkerbouwbedrijf

In het Besluit akkerbouw was het houden van dieren een nevenactiviteit. Jurisprudentie maakt een onderscheid in dieren die wel staan genoemd in artikel 1, lid 1a van het Besluit en dieren die daar niet staan genoemd:

  • bij het houden van dieren die er daar wel staan genoemd, valt het bedrijf onder het Besluit akkerbouw. Dan is het aantal en het hoofdzaakcriterium relevant.
  • Bij dieren die er niet zijn genoemd, is Besluit niet van toepassing, ongeacht het hoofdzaakcriterium.

Wel genoemde dieren

Het houden van 2 melkkoeien en 30 stuks jongvee is toegestaan. Zie ABRvS nr. 200506201/1 van 17 mei 2006 (Meerssen): "Gelet op het geringe aantal stuks melkrundvee, waar ingevolge artikel 1, onder k, sub 1, van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer bijbehorend vrouwelijk jongvee niet onder wordt gerekend, en het feit dat het bedrijf blijkens de stukken in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwbouwproducten is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het bedrijf ten tijde van de beslissing op bezwaar viel onder de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven." Hetzelfde geldt voor het houden van 15 stuks melkvee en 10 stuks jongvee:ABRvS nr. 200304214/2 van 13 augustus 2003 (Emmen). Uit ABRvS nr. 200304214/1 van 28 januari 2004 (Emmen) komt naar voren dat alleen dieren mogen, die specifiek genoemd staan in artikel 1 van het Besluit akkerbouw. "Gebleken is dat het vrouwelijk jongvee in de inrichting niet wordt aangehouden voor de vervanging van het melkvee of het vrouwelijk vleesvee maar dient als handelsvee. Verder worden in artikel 1, eerste lid en onder a, van het Besluit paarden niet benoemd.". Het Besluit is daarom niet van toepassing. Met verwijzing naar deze uitspraak staat eenzelfde redenering in de uitspraak van ABRvS nr. 200408462/1 van 23 maart 2005 (Emmen).

Niet genoemde dieren

In ABRvS nr. 200105797/1 van 15 mei 2002 (Emmen) valt een akkerbouwbedrijf met ca. 60 stuks jongvee niet onder het Besluit akkerbouw: "Vaststaat dat binnen de onderhavige inrichting ongeveer 60 stuks jongvee worden gehouden en geen ander melkvee. Bij een veebestand van een dergelijke omvang kan, gelet op het bovenstaande, niet worden geoordeeld dat de onderhavige inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwproducten of tuinbouwproducten op of in de open grond, zodat de inrichting, anders dan verweerders stellen, niet onder de werking van het Besluit valt."

In hoofdzaak melkrundveehouderij

In het Besluit melkrundvee is een melkrundveehouderij gedefinieerd in artikel 1 lid 1 onder a: 'inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het houden van melkrundvee.'

In ABRvS nr. F03.96.0368 van 20 augustus 1996 (Liesveld) was een bedrijf met 15 koeien en 50 varkens in hoofdzaak een melkrundveehouderij. De Afdeling voerde aan dat er geen sprake was van andere milieuhygiënische gevolgen dan het geval zou zijn bij grotere bedrijven (met meer melkvee dus). Wellicht dat hier het punt is dat onder deze AMvB voor 50 mve aan andere dieren wordt gehouden zonder dat dit leidt tot de vergunningplicht. Dit houdt in dat er 50 varkens kunnen worden gehouden bij dergelijke bedrijven. Daarbij is het blijkbaar niet van belang hoe dit aantal zich verhoudt tot de hoeveelheid melkvee dat aanwezig is.

Definitie melkrundvee

Als de veehouder rundvee houdt, dat niet valt onder de definitie van melkrundvee, dan is het Besluit melkrundvee niet van toepassing. Dit blijkt uit ABRvS nr. 200507613/1 van 17 mei 2006 (Veghel). Een bedrijf had zijn melkquotum verkocht en hield uitsluitend nog 20 stuks jongvee. Het Besluit was daardoor niet meer van toepassing, omdat hij niet langer voldeed aan de voorwaarden van het Besluit . Uit ABRvS nr. 200506392/1 van 8 maart 2006 (Asten) blijkt dat het houden van 76 vleesstierkalveren ook niet valt onder de definitie van melkrundvee.