Is een datacenter vergunningplichtig?

Vraag

Is voor een datacenter een omgevingsvergunning milieu nodig?

Antwoord

De aanwezigheid van stookinstallaties binnen een inrichting kan juridische gevolgen hebben. Het kan leiden tot de vergunningplicht of het behoren tot de categorie bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Het onderstaande schema schetst de gevolgen voor bedrijven en instellingen waar stookinstallaties (waaronder noodstroomaggregaten) aanwezig zijn.

Schema vergunningplicht

Beslisschema vergunningplicht

Gebruik het schema samen met de onderstaande tekst. Het schema is ook te downloaden (png, 123 kB).

Het schema geldt voor datacenters maar is ook in andere situaties te gebruiken, zoals bij ziekenhuizen en in de glastuinbouw. Daarvoor geldt wel dat alleen niet-vergunningplichtige brandstoffen worden gestookt en het om een type B of C bedrijf gaat.

Grote lawaaimakers
Bedrijven kunnen op basis van hun opgesteld vermogen aangewezen zijn als een grote lawaaimaker (Bor, bijlage 1, Onderdeel D, onder 1). Dit is het geval voor inrichtingen waar een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer. Voorwaarde is dat het vermogen gelijktijdig is ingeschakeld.
Als door het verstoken van brandstoffen het thermisch vermogen groter of gelijk is aan 75 MWth valt het bedrijf ook onder het begrip bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Bedrijven die aan minstens één van de bepalingen voldoen moeten zich vestigen op een gezoneerd industrieterrein.

Emissiehandel (EU ETS)
De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is het bevoegd gezag voor de emissiehandel in broeikasgassen. Het totaal opgesteld vermogen bepaalt de vergunningplicht. Alle installaties groter of gelijk aan 3 MWth tellen hierbij mee (maar geen biomassa-installaties). Bij een totaal opgesteld vermogen groter dan 20 MWth dient een vergunning te worden aangevraagd bij de NEa. Het Wm-bevoegd gezag mag dan geen energie-eisen meer stellen in de milieuvergunning.

Vergunningplicht en bevoegd gezag GS - IPPC
Bedrijven die onder bijlage I van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) vallen, IPPC-installaties, zijn altijd vergunningplichtig (art. 2.1 lid 2 Bor). In de RIE is specifiek categorie 1.1 (Het stoken in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer) van belang. De bepaling van de (Wabo) vergunningplicht gebeurt daarom in de eerste stap aan de hand van de RIE. Voor de grens van 50 MWth in de RIE telt het opgestelde vermogen van alle stookinstallaties mee. Dat geldt voor noodstroomaggregaten (en de back-up), reserve-voorzieningen en installaties die minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. Ook stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 15 MWth en 3 MWth (uitgesloten bij resp. LCP en EU ETS) vallen hier onder.
Als het totaal opgesteld thermisch vermogen groter of gelijk is aan 50 MWth dan is sprake van een IPPC-installatie en geldt de vergunningplicht. Gedeputeerde Staten is bevoegd gezag omdat aan de twee voorwaarden wordt voldaan: sprake van een IPPC-installatie én GS als zodanig aangewezen (bijlage 1 Bor, Onderdeel C, cat. 1.3b).

Vergunningplicht en bevoegd gezag BenW - geen IPPC
De stroom mag bij datacenters en ziekenhuizen nooit uitvallen. Daarom heeft de stroomvoorziening de hoogste prioriteit en worden zogenaamde redundanties van N+1 of zelfs 2N toegepast. Dit betekent dat een aantal (N) noodstroomaggregaat ook weer één (N+1) back-up heeft. In extreme gevallen wordt elke aggregaat afgedekt met een andere (2N). Er kunnen steeds maar N noodstroomaggregaten gelijktijdig zijn ingeschakeld. De back-up telt niet mee omdat deze niet gelijktijdig inschakelbaar is. Dit is anders dan bij de regelgeving op basis van de RIE.

Als het opgesteld thermisch vermogen kleiner is dan 50 MWth maar het gelijktijdig inschakelbaar motorisch opgesteld vermogen van elektro- en verbrandingsmotoren is groter dan 15 MW of meer, dan geldt ook de vergunningplicht (Bijlage 1, Onderdeel C, cat. 1.4c). De back-up telt niet mee. In dat geval zijn Burgemeester en Wethouders het bevoegd gezag. Gedeputeerde Staten is ondanks de aanwijzing (Bijlage 1, Onderdeel C, cat. 1.3a) geen bevoegd gezag omdat geen sprake is van een IPPC-installatie.

Geen vergunningplicht (meldingsplicht) – BenW bevoegd gezag
De meldingsplicht vanwege het Activiteitenbesluit geldt als het gelijktijdig inschakelbaar motorisch opgesteld vermogen van elektro- en verbrandingsmotoren kleiner is dan 15 MW. Burgemeester en Wethouders is het bevoegd gezag.

Bepalen thermisch- en motorisch vermogen
Bij de aanvraag of melding dient de aanvrager het opgesteld vermogen van de elektro- en verbrandingsmotoren en de stookinstallaties op te geven. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. Hier enkele voorbeelden.

Thermisch vermogen: het bepalen van het thermisch vermogen gebeurt aan de hand van het brandstofverbruik en de onderste verbrandingswaarde.

Motorisch vermogen: Bij de overbrenging van vermogen treedt altijd verlies op. Het motorisch vermogen is het nominaal thermisch ingangsvermogen vermenigvuldigd met het rendement. Op het typeplaatje van een generatorset staan vaak twee waarden, bijvoorbeeld 3500 kVA/2800 kW. De eerste waarde in kVA is het motorisch vermogen (3500 kVA=3,5 MW). Hierbij is nog geen rekening gehouden met energieverlies door faseverschil bij het opwekken van elektriciteit in de generator. De waarde 2800 kW geeft het elektrisch vermogen weer dat overblijft.