Is een datacenter vergunningplichtig?

Vraag

Is voor een datacenter een omgevingsvergunning milieu nodig?

Antwoord

De aanwezigheid van stookinstallaties binnen een inrichting kan juridische gevolgen hebben. Het kan leiden tot de vergunningplicht of het behoren tot de categorie bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen  veroorzaken. Het onderstaande schema schetst de gevolgen voor bedrijven en instellingen waar stookinstallaties (waaronder noodstroomaggregaten) aanwezig zijn.

Beslisschema vergunningplicht datacenters

Beslisschema datacenters vergunningplicht
Gebruik het schema samen met de onderstaande tekst. Het schema is ook te downloaden (png, 43 kB).

Het schema geldt voor datacenters, maar is ook in andere situaties te gebruiken. Zoals bij ziekenhuizen en in de glastuinbouw. Daarvoor geldt wel dat alleen niet-vergunningplichtige brandstoffen worden gestookt. Ook moet het om een type B- of type C-bedrijf gaan.

Grote lawaaimakers

Bedrijven kunnen op basis van hun opgesteld vermogen aangewezen zijn als een grote lawaaimaker (Bor, bijlage 1, Onderdeel D, onder 1). Dit is het geval voor inrichtingen waar 1 of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer. Voorwaarde is dat het vermogen gelijktijdig is ingeschakeld.

Als door het verstoken van brandstoffen het thermisch vermogen groter of gelijk is aan 75 MWth, valt het bedrijf ook onder het begrip bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Bedrijven die aan minstens 1 van de bepalingen voldoen, moeten zich vestigen op een gezoneerd industrieterrein.

Emissiehandel (EU ETS)

De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is het bevoegd gezag voor de emissiehandel in broeikasgassen. Het totaal opgesteld vermogen bepaalt de vergunningplicht. Alle installaties groter of gelijk aan 3 MWth, tellen hierbij mee (maar geen biomassa-installaties). Bij een totaal opgesteld vermogen groter dan 20 MWth, is een vergunning nodig van de NEa. Het Wm-bevoegd gezag mag dan geen energie-eisen meer stellen in de milieuvergunning.

Vergunningplicht en bevoegd gezag GS - IPPC

Bedrijven die onder bijlage I van de Richtlijn industriële emissies (Rie) vallen, zoals IPPC-installaties, zijn altijd vergunningplichtig (art. 2.1 lid 2 Bor). In de Rie gaat het met name om categorie 1.1 Het stoken in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer. De bepaling van de (Wabo-)vergunningplicht gebeurt daarom in de eerste stap aan de hand van de Rie.

Voor de grens van 50 MWth in de Rie, telt het opgestelde vermogen van alle stookinstallaties mee. Dat geldt voor noodstroomaggregaten (en de back-up), reserve-voorzieningen en installaties die minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. Ook stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 15 MWth en 3 MWth (uitgesloten bij resp. LCP en EU ETS), vallen hier onder.

Als het totaal opgesteld thermisch vermogen groter of gelijk is aan 50 MWth, dan is sprake van een IPPC-installatie en geldt de vergunningplicht. Gedeputeerde Staten (GS) is bevoegd gezag omdat aan de 2 voorwaarden wordt voldaan:

  1. sprake van een IPPC-installatie
  2. GS aangewezen als bevoegd gezag: bijlage 1 Bor, Onderdeel C, cat. 1.3a

Vergunningplicht en bevoegd gezag B en W - geen IPPC

De stroom mag bij datacenters en ziekenhuizen nooit uitvallen. Daarom heeft de stroomvoorziening de hoogste prioriteit en worden zogenaamde redundanties van N+1 of zelfs 2N toegepast. Dit betekent dat een aantal (N) noodstroomaggregaat ook weer 1 (N+1) back-up heeft. In extreme gevallen wordt elke aggregaat afgedekt met een andere (2N). Er kunnen steeds maar N noodstroomaggregaten gelijktijdig zijn ingeschakeld. De back-up telt niet mee omdat deze niet gelijktijdig inschakelbaar is. Dit is anders dan bij de regelgeving op basis van de Rie.

Als het opgesteld thermisch vermogen kleiner is dan 50 MWth, maar het gelijktijdig inschakelbaar motorisch opgesteld vermogen van elektro- en verbrandingsmotoren is groter dan 15 MW of meer, dan geldt ook de vergunningplicht (Bijlage 1, Onderdeel C, cat. 1.4c). De back-up telt niet mee.

In dat geval zijn Burgemeester en Wethouders (B en W) het bevoegd gezag. GS is ondanks de aanwijzing (Bijlage 1, Onderdeel C, cat. 1.3a) geen bevoegd gezag, omdat geen sprake is van een IPPC-installatie.

Datacenters vallen onder 1.3a (inrichtingen waar) en niet onder 1.3b (inrichtingen voor).

Geen vergunningplicht (meldingsplicht) – B en W bevoegd gezag

De meldingsplicht vanwege het Activiteitenbesluit geldt als het gelijktijdig inschakelbaar motorisch opgesteld vermogen van elektro- en verbrandingsmotoren kleiner is dan 15 MW. B en W is dan het bevoegd gezag.

Bepalen thermisch- en motorisch vermogen

Bij de aanvraag of melding moet de aanvrager het opgesteld vermogen van de elektro- en verbrandingsmotoren en de stookinstallaties opgeven. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. Hier enkele voorbeelden.

Thermisch vermogen

Het bepalen van het thermisch vermogen gebeurt aan de hand van het brandstofverbruik en de onderste verbrandingswaarde.

Motorisch vermogen

Bij de overbrenging van vermogen treedt altijd verlies op. Het motorisch vermogen is het nominaal thermisch ingangsvermogen vermenigvuldigd met het rendement.

Op het typeplaatje van een generatorset staan vaak 2 waarden, bijvoorbeeld 3.500 kVA/2.800 kW. De eerste waarde in kVA is het motorisch vermogen (3.500 kVA=3,5 MW). Hierbij is nog geen rekening gehouden met energieverlies door faseverschil bij het opwekken van elektriciteit in de generator. De waarde 2.800 kW geeft het elektrisch vermogen weer dat overblijft.