Waterkwantiteit

Het is belangrijk dat onze oppervlaktewateren voldoende bergings- en afvoercapaciteit hebben. Voor de regionale oppervlaktewateren wordt dit geregeld via provinciale waterverordeningen. Voor de grote rivieren in het beleidsplan Rijkwateren.

Soms is er geen sprake van veel water maar juist van een watertekort. In die gevallen geeft de Waterwet een prioritering van belangen in de verdringingsreeks. Deze verdringingsreeks geldt voor alle wateren.

Normen voor waterkwantiteit

Artikel 2.8 Waterwet bepaalt dat de provinciale verordeningen, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale oppervlaktewateren moeten zijn ingericht, normen stellen voor de gemiddelde overstromingskans per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. De betreffende normen zijn sinds de inwerkingtreding van de Waterwet vastgesteld in de provinciale waterverordeningen dan wel (in sommige provincies) in de integrale omgevingsverordening waarin water een plek heeft.

Verdringingsreeks bij watertekorten

De Waterwet geeft in artikel 2.9 Waterwet ook de wettelijke basis voor de zogenoemde verdringingsreeks die in het Waterbesluit concreet wordt gemaakt. Van een watertekort is sprake indien de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod van water, waarbij het gaat om water van de kwaliteit die voor een bepaalde behoefte geschikt is. Voor koelwater speelt bijvoorbeeld de temperatuur een grote rol, voor landbouw het zoutgehalte en voor natuur de wens om zo weinig mogelijk gebiedsvreemd water in te hoeven nemen. Met name voor zoet water is een tekort denkbaar. Gelet op de potentieel grote gevolgen voor gebruikers (denk bijvoorbeeld aan beregeningsverboden voor de landbouw, beperkte vaardieptes voor de scheepvaart en beperkingen voor de industrie) is een regeling voor de verdeling van water in tijden van watertekorten te begrijpen.

De verdringingsreeks, geldt voor alle oppervlaktewateren. Het is ter beoordeling van de waterbeheerder (Rijkswaterstaat of het waterschap) of er feitelijk sprake is van een tekort. De uitkomst van de beoordeling is een feitelijke constatering die op zichzelf nog geen rechtsgevolg heeft. Eventuele rechtsgevolgen ontstaan pas als gevolg van optreden van de beheerder.

Voor rijkswateren is de Minister van Infrastructuur en Milieu de beheerder c.q. degene die een tekort aan rijkswater kan constateren. Een eerste indicatie kan worden afgeleid uit de afvoeren van de Rijn bij Lobith en van de Maas bij Maastricht. In de praktijk laat de minister zich in situaties van (dreigende) watertekorten adviseren door de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW), die is samengesteld uit vertegenwoordigers van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Unie van Waterschappen en het
Interprovinciaal Overleg. Als er een tekort wordt geconstateerd, zal het nog beschikbare water moeten worden verdeeld volgens de verdringingsreeks.

verdringingsreeks

Rijkswaterstaat (RWS) houdt ieder jaar, in de periode april - september eventuele watertekorten in het vizier. In samenwerking met het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI) worden regelmatig de huidige en verwachte situatie geschetst van de rivierafvoeren, watertemperaturen en het grondwater. Dit levert informatie op voor de droogteberichten.