a Kern stankbeleid

Stank is een als hinderlijk ervaren geur. In Nederland wordt meer dan 20% van de bevolking gehinderd door stank. In het Nationaal Milieubeleidsplan uit 1989 (NMP) is als doelstelling voor stank voor het jaar 2000 opgenomen maximaal 750.000 stankbelaste woningen, hetgeen overeenkomt met 12% gehinderden; voor het jaar 2010 geldt als doelstelling geen ernstige hinder.

De kamer heeft op 29 maart jl. met het volgende stankbeleid ingestemd:

Als algemeen uitgangspunt wordt gehanteerd het voorkomen van (nieuwe) hinder. Daarvan afgeleid is de volgende beleidslijn te geven:

  • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
  • als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van het ALARA principe afgeleid;
  • mate van hinder kan onder andere worden bepaald via een belevingsonderzoek, hinderenquete, klachtenregistratie etc. Voor categorie 1 bedrijven komt het hinderniveau in de bedrijfstakstudie aan de orde;
  • de mate van hinder die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd bestuursorgaan.

In de Nederlandse Emissierichtlijnen Lucht (NeR) worden voor een aantal branches maatregelenpakketten vastgelegd. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op bedrijfstakstudies. Uitgangspunt is dat in de meeste gevallen de maatregelen leiden tot een acceptabel hinderniveau. Het bevoegd bestuursorgaan dient vast te stellen of de maatregelen leiden tot een acceptabel hinderniveau en kan derhalve gemotiveerd afwijken van de NeR.

De voorheen in het stankbeleid gehanteerde geurconcentratie van 10 ge/m3 als 98-percentiel is voor bestaande inrichtingen een rekenwaarde voor de beoordeling van de verschillende scenario's die voor het bepalen van het maatregelenpakket op basis van ALARA worden gehanteerd.

Ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen, zowel nieuwvestiging als uitbreiding van milieubelastende dan wel milieugevoelige activiteiten, geldt eveneens het uitgangspunt dat nieuwe hinder dient te worden voorkomen. Uitgangspunt is dan ook dat een nieuwe woonlokatie, of anderszins gevoelige bestemming, op een zodanige afstand wordt gepland van stankbronnen - en andersom - dat geen of hooguit een acceptabele mate van hinder te verwachten is. Indicaties voor aan te houden afstanden zijn onder andere te ontlenen uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (1992, VNG-uitgeverij), de brochure Veehouderij en Hinderwet (1985) en gegevens uit de vergunningprocedure van het betreffende bedrijf dat stank veroorzaakt.

Uitgangspunt in de Wet milieubeheer is dat bij vergunningverlening ten behoeve van een nieuwe inrichting, uitbreiding van een inrichting of bij een revisievergunning artikel 8.11 Wet milieubeheer wordt toegepast (‘Stand der Techniek'). Er wordt naar gestreefd (nieuwe) hinder te voorkomen. Indien dit niet (geheel) mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege ruimtelijke of economische omstandigheden, wordt op lokaal niveau bezien of andere oplossingen mogelijk zijn en vindt vervolgens een afweging plaats.