Hoofdstuk 7 Opslag van spuitbussen en gaspatronen

Let op: U bekijkt nu de handleiding PGS 15 versie 2011. Ga hier naar handleiding PGS 15 versie 2016.

In hoofdstuk 7 zijn de voorschriften voor de opslag van spuitbussen en gaspatronen opgenomen. Hier worden verschillende situaties beschreven waarin spuitbussen samen met andere gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en een situatie dat een opslagvoorziening uitsluitend voor de opslag van spuitbussen is bestemd.

Inleiding
Bepaling grenswaarde voor vaststellen beschermingsniveau
Algemene opslagvoorschriften
Opslaan van maximaal 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen
Opslaan van meer dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen

Inleiding

Spuitbussen en gaspatronen zijn ingedeeld in klasse 2 van het ADR. De inhoud mag voor houders van metaal niet meer bedragen dan 1 liter en 0,5 liter voor houders van kunststof of glas. Als verderop gesproken wordt over spuitbussen worden hier ook gaspatronen bedoeld.

Spuitbussen vallen tijdens het vervoer onder het ADR (UN-nummer 1950). Dit geldt ook voor spuitbussen zonder gevaarlijke inhoud. De voorschriften vanuit hoofdstuk 7 zijn op de volgende situaties van toepassing:

  • opslag van spuitbussen en gaspatronen in de zin van het ADR in combinatie met andere gevaarlijke stoffen
  • opslag van spuitbussen en gaspatronen met een gezamenlijke inhoud van meet dan 50 kilogram (nettogewicht), waarvan de inhoud (zowel het drijfgas als de stof die verneveld moet worden) conform CLP-verordening EG 1272/2008 aangemerkt moet worden als een zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare, toxische, corrosieve of oxiderende stof

Wanneer uitsluitend opslag van spuitbussen en gaspatronen plaatsvindt, dan is de inhoud van belang voor de eisen aan de opslag. Om te voorkomen dat een ruimte waar uitsluitend spuitbussen aanwezig zijn met bijvoorbeeld levensmiddelen wordt genoemd onderscheid gemaakt.

Als een spuitbus dus een licht ontvlambare of toxische inhoud heeft, of als gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen plaatsvindt, moet wel aan PGS 15 worden voldaan. Uiteraard met inachtneming van ondergrenzen

In hoofdstuk 7 zijn de voorschriften voor de opslag van spuitbussen of gaspatronen opgenomen. Naast de voorschriften in hoofdstuk 7 zijn ook de voorschriften uit hoofdstuk 3 van toepassing met uitzondering van de paragrafen 3.3, 3.8, 3.9, 3.10, 3.14 en 3.24

Ten opzichte van de PGS 15:2005 geldt een ondergrens van 50 kg in plaats van de voorheen gestelde hoeveelheid van 400 kg nettogewicht aan inhoud van spuitbussen en gaspatronen die aangemerkt zijn als zeer licht ontvlambaar, licht ontvlambare, ontvlambare, toxische, corrosieve of oxiderende stof, waarvoor maatregelen genomen moeten worden.

Onder nettogewicht wordt verstaan de netto inhoud van de spuitbus, dat is dus alles wat verspoten wordt en dus alleen het gas en de werkstof exclusief blik - spuitkop - beschermkap.

Opslageisen voor spuitbussen wijken af van opslagvereisten voor gevaarlijke stoffen in 'gewone' verpakking, vanwege de specifieke gevaaraspecten van spuitbussen. Een bij een brand betrokken spuitbus kan exploderen, waarbij een vuurbal en/of drukgolf kan ontstaan. Doordat de inhoud van een spuitbus onder druk staat, is het mogelijk dat een spuitbus bij brand wegschiet ('rocketing'), met een risico op het 'domino-effect'.

In het algemeen zijn de voorschriften voor opslag van spuitbussen op de volgende uitgangspunten gebaseerd:

  • opslag tot 10 ton aan spuitbussen en/of gaspatronen is gebaseerd op de 'best practice' uit het land
  • opslag boven 10 ton is gebaseerd op de voorschriften uit NFPA 30B (National Fire Protection Association)

Toepassingsgebied Hoofdstuk 7

Bepaling grenswaarden voor vaststellen beschermingsniveau

Als meer dan 10.000 kg spuitbussen aanwezig zijn, is hoofdstuk 4 van PGS 15 van toepassing. De grenswaarden voor het vaststellen van het beschermingsniveau uit tabel 4.2 van PGS 15 zijn gebaseerd op het gevaarsaspect dat op de spuitbus is vermeld. Spuitbussen met een brandbare inhoud (alle vlampunten) gelden daarbij als ADR, klasse 3 (grenswaarde 400 kg). Spuitbussen met een inhoud welke niet brandbaar is, moeten worden beoordeeld aan de hand van hun ADR-klassering.

Voor het opslaan van meer dan 10.000 kg spuitbussen geldt in alle gevallen dat voldaan dient te worden aan de paragrafen 4.6, 4.7 en 4.8.

Algemene opslagvoorschriften

De eisen aan de opslag van spuitbussen zijn afhankelijk van de volgende factoren:

  • worden spuitbussen in combinatie met andere gevaarlijke stoffen opgeslagen en zo ja hoeveel gevaarlijke stoffen zijn aanwezig?
  • wat is de gezamenlijke inhoud van de spuitbussen en wat is de ADR-klasse van de inhoud daarvan?
  • wat is het oppervlak van de opslagplaats?
  • wat is de hoogte van de opslagplaats?

De belangrijkste eisen voor de opslag voor spuitbussen (voor zover ze vallen onder de werkingssfeer van dit hoofdstuk) zijn:

  • opslag van spuitbussen moet in alle gevallen plaats vinden in een brandcompartiment; bij open opslagen is maatwerk noodzakelijk
  • bij een combinatie met verpakte gevaarlijke stoffen moeten spuitbussen worden afgeschermd door hekwerk, tenzij het oppervlak van de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m2
  • bij een combinatie met gevaarlijke stoffen is het spuitbusoppervlak beperkt
  • opwarming van spuitbussen mag niet mogelijk zijn
  • de ruimte tussen spuitbussen en plafond/dak moet in alle gevallen meer dan 0,5 meter zijn en een maximale stapelhoogte van 3,6 meter indien geen gebruik wordt gemaakt van stellingen

Indien door het treffen van maatregelen de brandveiligheid is gewaarborgd en een kleinere afstand kan worden aangehouden tussen de goederen en het plafond, kan van dit voorschrift gemotiveerd worden afgeweken. Of dit het geval is kan bijvoorbeeld worden meegenomen bij de bepaling van de uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer, opleveringsinspectie en periodieke inspectie van de brandbeveiligingsinstallatie. Voor een snelle inschatting van de hoeveelheid spuitbussen/gaspatronen in een opslag (meer of minder dan 10.000 kg) kan gebruik worden gemaakt van een vuistregel dat een hoeveelheid van 15 - 20 pallets met spuitbussen/gaspatronen en een hoogte van ca. 1,80 m ongeveer overeenkomt met 10.000 kg.

N.B. De vullingsgraad en de netto-inhoud is voor spuitbussen erg verschillend. Voor een nauwkeurige berekening van de opgeslagen netto hoeveelheid gewicht moet gebruik worden gemaakt van de dichtheid van de inhoud als alleen het nettovolume wordt vermeld op de bus. De dichtheid is vermeld in het veiligheidsinformatieblad of kan worden opgevraagd bij de leverancier en producent. De netto-inhoud is alles wat wordt verspoten, dus alleen het gas en de werkstof exclusief blik-spuitkop-beschermkap.

Het opslaan van maximaal 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen

Afhankelijk van het vloeroppervlak waar de opslag op plaats vindt (meer of minder dan 100 m2) dient er conform de voorschriften een scheiding te worden aangebracht met de opslag van andere gevaarlijke stoffen. Bij een vloeroppervlak van minder dan 100 m2 is er geen aparte opslag noodzakelijk. Indien het vloeropppervlak van een opslagplaats groter is dan 100 m2 dient er een scheiding aanwezig te zijn. Dit mag plaats vinden door middel van de aanwezigheid van een brandcompartiment, danwel een constructie van gaas van voldoende sterkte.

Het maximale vloeroppervlak is in principe 100 m2, indien opslag plaatsvindt in een separaat brandcompartiment dan mag dit 300 m2 zijn.

Het opslaan van meer dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen

Bij het opslaan van meer dan 10.000 kg (nettogewicht) mag het vloeroppervlak van de opslagvoorziening maximaal 2.500 m2 bedragen, waarvan dan 1.900 m2 gebruikt mag worden voor de opslag van spuitbussen. Tevens dient hier een geschikte brandbeveiligingsinstallatie aanwezig te zijn.


Uw onderwerpen