Aanvraag en voorbereidingsprocedure watervergunning
Handboek water
Inhoud pagina: Aanvraag en voorbereidingsprocedure watervergunning
Voor de aanvraag van de watervergunning wordt in principe gebruik gemaakt van hetzelfde loket als de omgevingsvergunning. De aanvraag om een watervergunning wordt dus gedaan bij burgemeester en wethouders van de gemeente waar de handeling in hoofdzaak plaatsvindt.
Aanvragen van een watervergunning
De aanvraag kan ook gedaan worden bij het bevoegde gezag, volgens het beginsel "no wrong door" (art. 6.15, 1e lid Waterwet). Dat bevoegde gezag zendt in dergelijke gevallen een afschrift van de aanvraag aan B&W. Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag die via het omgevingsloket is ingediend door aan de bestuursorganen die betrokken zijn bij de aangevraagde handelingen. Dit kunnen verschillende beheerders en de provincie zijn. Indien er meer dan een bestuursorgaan betrokken is, wordt door de betrokken bestuursorganen met de samenloopregeling bepaald welk orgaan bevoegd gezag is. Het bevoegde gezag bericht de aanvrager dat het de aanvraag in behandeling neemt en welke procedure voor de verlening van de watervergunning zal worden gevolgd (artikel 6.15 Waterwet).
In het Waterbesluit en de Waterregeling is opgenomen hoe de watervergunning moet worden aangevraagd. De aanvraag wordt gedaan met een standaard aanvraagformulier (zie ook: "Vergunning aanvragen of melding doen").
Wanneer het digitale omgevingsloket (OLO) volledig operationeel is, zullen bedrijven de watervergunning alleen nog digitaal via internet kunnen aanvragen. Voor burgers zal het mogelijk blijven om een schriftelijke aanvraag in te dienen.
Procedure
Artikel 6.16 Waterwet bepaalt in welke gevallen de watervergunning wordt voorbereid volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht:
- het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk;
- het storten van stoffen in zee; en
- het onttrekken van grondwater of infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet.
Voor deze gevallen is ook bepaald dat een ieder zienswijzen kan indienen op de ontwerpvergunning. Deze procedure duurt circa zes maanden. Als er een vergunningaanvraag is ingediend voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag is (artikel 6.4 van de Waterwet) mag de vergunning niet worden afgegeven voordat het bestuur van het waterschap in de gelegenheid is gesteld hierover advies uit te brengen.
In andere gevallen wordt de watervergunning voorbereid met de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze procedure duurt circa 8 weken.
Uitzonderingen op termijnen
Volgens artikel 6.16 Waterwet zijn op de voorbereiding van een beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning de afdeling 3.4 van de Awb en 13.2 van de Wm van toepassing. Hierop kan echter een uitzondering worden gemaakt als dat bij AMvB wordt aangegeven. In het Waterbesluit is daartoe artikel 6.1b opgenomen: artikel 6.1b Waterbesluit. Dit artikel is op een later moment aan het Waterbesluit toegevoegd met Staatsblad 2009, 548. Hierin vindt u ook een toelichting op dit artikel.
Daarmee kan voor de in dit artikel genoemde lozingen de reguliere voorbereidingsprocedure worden toegepast. Dat betreft alle inrichtingen in de zin van de Wm, uitgezonderd de Wm- en de Wabo-vergunningplichtige inrichtingen, en lozingen die niet vanuit een inrichting in de zin van de Wm plaats vinden.
Overigens spreekt artikel 6.1b Waterbesluit slechts over de voorbereiding van de watervergunning. De wetgever heeft echter ook bedoeld dat voor een wijziging of intrekking van de watervergunning, voor de lozingen genoemd in dit artikel, de reguliere procedure kan worden toegepast.
Voorschriften en beperkingen
Aan de watervergunning worden voorschriften verbonden, om nadelige gevolgen van de handeling te voorkomen of (gedeeltelijk) weg te nemen. Uitgangspunt zijn daarbij de doelstellingen van de Waterwet zoals geformuleerd in artikel 2.1 van de Waterwet. Naast deze voorschriften kunnen ook voorschriften worden opgenomen waarin onder andere de financiële zekerheid wordt geregeld om de nakoming te waarborgen van de verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning of voor de dekking van eventuele schade die door de vergunde handeling kan worden veroorzaakt. Ook kunnen de voorschriften betrekking hebben op het wegnemen of compenseren van nadelige gevolgen voor het watersysteem na het staken van de vergunde handeling. Beide soorten voorschriften worden bijvoorbeeld toegepast bij grootschalige grondwateronttrekkingen. Het staken van dergelijke onttrekkingen kan grote gevolgen hebben voor de omgeving, door de snelle stijging van grondwaterstanden die door de onttrekking kunstmatig laag zijn gehouden. (art. 6.20 Waterwet)
Weigeren van een watervergunning
Op grond van art. 6.21 Waterwet wordt de watervergunning geweigerd als verlening van de vergunning niet verenigbaar is met de doelstellingen van de Waterwet (artikel 2.1 Waterwet). Kort gezegd zijn die doelstellingen:
- het voorkomen van overstromingen, wateroverlast of waterschaarste;
- het beschermen van de chemische en ecologische toestand van watersystemen;
- het vervullen van functies van watersystemen.
Wijziging en intrekken van een watervergunning
Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een vergunning aanvullen of wijzigen (art. 6.22 Waterwet). Tevens kan de vergunning ingetrokken worden, indien er binnen drie jaar geen gebruik van is gemaakt. In ieder geval wordt de vergunning ingetrokken als dat nodig is door gewijzigde omstandigheden of vanwege internationale verplichtingen. Het bevoegd gezag moet daarbij wel eerst bezien of aan deze omstandigheden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen door aanpassing van de voorschriften van de vergunning. Bij het wijzigen of intrekken van vergunningen kan onder bepaalde omstandigheden sprake zijn van een verplichting tot vergoeding van de schade die de vergunninghouder daardoor leidt.
Revisievergunning
Via het overgangsrecht van de Invoeringswet Waterwet zijn de bestaande vergunningen op grond van de oude waterwetten van rechtswege gelijk gesteld met een watervergunning indien de vergunningplicht ook bestaat op grond van de Waterwet. Dit kan tot gevolg hebben dat een bedrijf over verschillende watervergunningen beschikt, voor bijvoorbeeld het onttrekken van grondwater, het lozen van afvalwater en het hebben van een lozingspijp die door een waterkering voert.
Het uitgangspunt van de Waterwet is dat er één integrale watervergunning wordt verleend. Om te zorgen dat de watervergunningen die uit het overgangsrecht zijn ontstaan binnen afzienbare tijd ook in één integrale watervergunning worden omgezet, kan het bevoegd gezag bepalen dat een nieuwe watervergunning moet worden aangevraagd voor alle handelingen die behoren tot een samenstel, of ambtshalve overgaan tot het verlenen van een integrale watervergunning (art. 6.18 lid 1 Waterwet). Zo'n vergunning wordt een revisievergunning genoemd.
Het bevoegd gezag moet over het verlenen van een revisievergunning overeenstemming bereiken met de andere bevoegde bestuursorganen.

