Jurisprudentie over de systematiek

Raad van State, Kneuterdijk, Den HaagDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) doet regelmatig uitspraken, waarin de systematiek van de agrarische regelgeving aan de orde is. Dat geldt ook voor de elf rechtbanken die Nederland telt.
Hieronder vindt u een selectie van deze uitspraken, onderverdeeld in een aantal onderwerpen.

Algemeen

OBM (Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets)

Melding Activiteitenbesluit

Overgangsrecht Activiteitenbesluit

Algemeen

Eerst oprichten met 4 paarden en daarna uitbreiden met 7 paarden bij zeer kwetsbaar gebied mag niet

ABRvS, 201602975/1/A1, 15 maart 2017 Heemskerk. De gemeente heeft in november 2015 een dwangsom opgelegd voor het houden van 10 paarden binnen een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied. Het aantal paarden moet worden teruggebracht tot maximaal 4.  
Appellant voert aan dat hij wel 10 paarden mocht houden. Hij heeft in januari 2016 een melding Activiteitenbesluit heeft gedaan voor oprichten met vier paarden . Daardoor is artikel 3.111, tweede lid van toepassing geworden, waardoor sprake is van een inrichting die is toegestaan door het Activiteitenbesluit. Daardoor mocht hij onbeperkt (in dit geval 7) uitbreiden in paarden op grond van artikel 3.114, eerste lid, aanhef en onder c.
De Afdeling gaat hier niet in mee. Op deze manier wordt artikel 3.113 van het Activiteitenbesluit omzeild, dat een oprichtingsverbod geeft voor veehouderijen binnen een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied. Dit is in strijd met de systematiek en bedoeling van de wet. De Afdeling verwoordt dit zo: " 3.1. (...) Anders dan [appellant] betoogt, hebben de melding van 18 januari 2016 en die van 24 maart 2016 - welke laatste overigens van na het besluit op bezwaar dateert - er niet toe geleid dat zich niet langer een overtreding van artikel 3.113 voordoet. Artikel 3.111, tweede lid, staat weliswaar een inrichting met niet meer dan vier paarden toe in een zeer kwetsbaar gebied en de zone van 250 m daaromheen, maar dit betekent niet dat, indien een dergelijke inrichting vervolgens wordt uitgebreid tot meer dan vier paarden, daarop artikel 3.114 van toepassing is. De Afdeling overweegt hierbij dat onder een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden in de zin van artikel 3.114, logischerwijs niet mede hoort te worden begrepen een inrichting waarop dat artikel via artikel 3.111, tweede lid, niet van toepassing is. Eerst na de uitbreiding tot meer dan vier paarden ontstaat een inrichting voor het houden van landbouwhuisdieren in de zin van de artikelen 3.113 en 3.114, zodat artikel 3.113 van toepassing is en aan de uitbreiding in de weg staat. De door [appellant] voorgestane uitleg zou er verder toe leiden dat via artikel 3.111, tweede lid, steeds artikel 3.114 bepalend zou zijn voor de mogelijkheden om in een zeer kwetsbaar gebied en de zone van 250 m daaromheen landbouwhuisdieren te houden en aan artikel 3.113 geen betekenis meer zou toekomen. Dit zou evident niet in overeenstemming zijn met de systematiek en bedoeling van de in de artikelen 3.111 en verder opgenomen regeling."

Voor type B of C is niet capaciteit stal bepalend

ABRvS, 201306983/1/A1, 28 mei 2014, Wierden. Volgens appellant was een omgevingsvergunning milieu nodig, omdat de technische capaciteit van de stal bepalend is. Deze was berekend op 231 stuks melkrundvee. Dat in de ligboxenstal minder dan 200 stuks melkvee werden gehouden maakt niet dat het bedrijf onder het Activiteitenbesluit valt.
De Afdeling gaat hier niet in mee: "5.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Ten tijde van belang werden 193 melk- en kalfkoeien, 110 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en 1 fokstier ter plaatse gehouden, zodat op de inrichting het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is. Niet gebleken is dat ten tijde van belang meer dieren in de inrichting werden gehouden. De jurisprudentie waar appellant naar verwijst, ziet - zoals de voorzieningenrechter terecht overweegt - op mer-beoordelingen."
De rechter oordeelt hier overigens ook nog over een ander interessant aspect. Appellant voerde aan dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg stond aan vergunningverlening. Het perceel was geen eigendom van de vergunninghouder.
De Afdeling was het ook hier niet mee eens: "4.1. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat geen evidente privaatrechtelijke belemmering aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. De enkele omstandigheid dat vergunninghouder nog geen eigenaar is van een gedeelte van het perceel is daartoe onvoldoende. Hierbij heeft de voorzieningenrechter terecht van belang geacht dat vergunninghouder in het kader van de Landinrichting Enter is aangewezen als toekomstig eigenaar van de gronden op het perceel waarvan hij nog geen eigenaar is."

Voor type C-bedrijf al dan niet aansluiten bij voorschriften Activiteitenbesluit

Niet aansluiten nu nog niet in werking: ABRvS, 201311727/1/A4, 10 december 2014, Schagen. Volgens appellant had de gemeente aansluiting had moeten zoeken bij de 100 meter van het Besluit mestbassins en nu artikel 3.51 Activiteitenbesluit, dat geldt voor een mestbassin tot 750 m2 oppervlak. Dit mestbassin heeft een aanzienlijk groter oppervlak dan 750 m2.
Dat ziet de Afdeling anders. Bij het verlenen van de vergunning was artikel 3.51 Activiteitenbesluit nog niet in werking, en: “Er is geen rechtsregel die het college verplichtte daarop vooruit te lopen. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, was het Besluit mestbassins milieubeheer (oud) niet op de inrichting van toepassing. Het college was derhalve evenmin gehouden bij dat besluit aansluiting te zoeken.”

Wel aansluiten hoewel niet van toepassing: Rechtbank Overijssel, Awb 14/167, 4 augustus 2014, Steenwijkerland. Bij een melkrundveehouderij komen twee mestbassins met een inhoud van 2497 kubieke meter en van 800 kubieke meter. De gemeente heeft een omgevingsvergunning milieu verleend voor de uitbreiding hiermee.
De rechtbank zegt dat hoewel paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit daarop niet van toepassing is, het bevoegd gezag daarbij wel rekening moet houden : "De rechtbank stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 3.50 van het Activiteitenbesluit milieubeheer volgt dat paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is op het opslaan van drijfmest of digestaat in mestbassins met een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 kubieke meter drijfmest of digestaat. Wel dient verweerder, vanwege het belang van de bescherming van het milieu, bij het opstellen van voorschriften voor de opslag van drijfmest en digestaat rekening te houden met het bepaalde in het Activiteitenbesluit milieubeheer. "
In dit geval mocht de gemeente afwijken van de normen van artikel 3.51 van het Activiteitenbesluit: "Vast staat dat de voorschriften over de afstand tot het dichtstbijzijnde geurgevoelig object en de afstand tot een zeer kwetsbaar gebied, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav, minder beperkingen bevatten dan in het geval paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer onverkort van toepassing zou zijn.
Zo bedraagt de afstand van het kleine mestbassin tot de dichtstbijzijnde burgerwoning 68 meter en bedraagt de afstand van het kleine mestbassin tot het dichtstbijzijnde zeer kwetsbare gebied 194 meter.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in dit geval af te wijken van de normen zoals neergelegd in artikel 3.51 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Hiertoe acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat de beide mestbassins reeds eerder waren vergund en gemeld op grond van het Besluit mestbassins milieubeheer, zoals dit tot 1 januari 2013 gold. Daarbij komt dat de mestraffinage die binnen de inrichting plaatsvindt er toe leidt dat het resterende digestaat, dat in de mestbassins wordt opgeslagen, minder geur en ammoniakuitstoot tot gevolg heeft dan onbewerkte mest. Het roeren en mengen van mest vindt niet plaats in de mestbassins, maar in een stal. Verder heeft verweerder belanghebbende diverse voorschriften opgelegd met het oog op de opslag van digestaat in de mestbassins, waaronder de in voorschrift 6.47 neergelegde verplichting om de mestbassins af te dekken.
De enkele verwijzing van eiser naar in het verleden ervaren geuroverlast ten gevolge van de mestbassins is onvoldoende om hieraan af te kunnen doen."

Dat bij vijf paarden melding nodig is, is niet bepalend voor bedrijfsmatigheid

Rechtbank Overijssel, AWB 13/1847, 27 september 2013, Deventer. De gemeente vindt dat sprake is van het bedrijfsmatig houden van dieren, omdat er in de stal meer dan vier paarden worden gestald, waaronder drie pensionpaarden. De argumentatie: "Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ontstaat bij het houden van ten minste vijf paarden een inrichting die meldingsplichtig is. Vanaf het houden van vijf paarden wordt de omvang gezien als ware het bedrijfsmatig. Naast het verhuren van stalboxen aan derden en het fokken van een veulen wordt in de paardenbak paardrijles gegeven. Door deze activiteiten is volgens verweerder sprake van een inrichting met een meldingsplicht."
De voorzieningenrechter is het hier niet mee eens: "De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het Activiteitenbesluit niet volgt dat bij het houden van 5 paarden of meer altijd sprake is van een meldingplichtige inrichting. Van een inrichting is eerst sprake indien voldaan wordt aan de in artikel 1.1, eerste lid, van de Wmb neergelegde definitie van inrichting. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat verzoeker met het stallen van meer dan vier paarden aan deze definitie voldoet."

OBM (Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets)

Intrekken OBM niet vanwege ontoelaatbare milieugevolgen

ABRvS, 201600945/1/A1, 22 februari 2017, Zundert. Deze uitspraak gaat over het intrekken van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). Een omwonende van de veehouderij heeft verzocht om de OBM in te trekken vanwege ontoelaatbare geurhinder. De gemeente heeft dat verzoek aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard; dat besluit is door de rechtbank vernietigd. De gemeente heeft vervolgens het intrekkingsverzoek afgewezen.  De omwonende is van oordeel dat artikel 2.33, eerste lid, onder d Wabo grond voor intrekking van de OBM kan vormen. Volgens hem brengt een redelijke wetsuitleg mee dat die bepaling ook betrekking heeft op een geval als dit, waarbij de omgevingsvergunning milieu vanwege inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit van rechtswege een OBM is geworden. Het kan volgens hem niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat de vergunning voor zo'n bedrijf niet kan worden ingetrokken als dat bedrijf ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
De Afdeling oordeelt dat artikel 2.33 lid 1 onder d Wabo niet kan worden gebruikt om een OBM in te trekken. Dit is een uitgebreide motivering. De lijn is als volgt. Artikel 2.33, eerste lid, onder d Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekt voor zover de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt. Het gaat hier enkel om inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning milieu nodig is. Daar is hier geen sprake van; er is sprake van een OBM. Voor intrekken van een OBM biedt artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder d Wabo geen grond. Dat het hier gaat om een OBM die van rechtswege is ontstaan door inwerkingtreding van het Actitiviteitenbesluit, doet niet ter zake: 11.2 De Afdeling ziet geen aanleiding deze bepaling zo uit te leggen dat zij ook van toepassing is op vergunningen voor veehouderijen die door wijziging van het Besluit omgevingsrecht met ingang van 1 januari 2013 geen inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo meer zijn. De opsomming van intrekkingsgronden in artikel 2.33 van de Wabo is limitatief. Andere gronden voor intrekking, voor zover die niet is bedoeld als sanctie, zijn uitgesloten. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de bepaling de door [verzoeker] gestelde omissie kent, is het niet aan de bestuursrechter, maar aan de wetgever om aan de limitatief bedoelde opsomming een intrekkingsgrond toe te voegen. Artikel 2.33, tweede lid, onder f, bevat overigens een delegatiegrondslag voor regeling bij algemene maatregel van bestuur. Daaraan is tot op heden geen uitvoering gegeven.

M.e.r.-OBM nodig voor wijziging inrichting

Rechtbank Oost-Brabant, 21 juli 2016, SHE 16/352, Valkenswaard. De vraag is aan de orde of een OBM m.e.r. nodig is voor een extra manier van afvoer van rundveemest naar achterliggende percelen. Dit was uitsluitend toegestaan met tractor en vacuümtank, maar nu moet dit ook mogelijk worden via de openbare weg. "Naar het oordeel van de rechtbank is het aanpassen van de inrichting in die zin dat rundveedrijfmest ook via de openbare weg moet worden afgevoerd, te kwalificeren als het wijzigen van een installatie en is daar een OBM voor vereist. Verweerder heeft dit niet onderkend en heeft ten onrechte aangenomen dat al sprake is van een concreet zicht op legalisatie als een melding op basis van het Activiteitenbesluit is ingediend."

Onlosmakelijke samenhang OBM en omgevingsvergunning bouwen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, BRE 15/2462 WABOM, 4 februari 2016, Drimmelen. Aanvraag voor omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aangevraagd voor onder meer toename van het aantal vleesrunderen tot 230 fokstieren. Uit de tekening blijkt dat deze fokstieren in stal C komen te staan. Dit is n de huidige situatie fysiek onmogelijk door de beperkte omvang van deze stal.
De rechtbank oordeelt: "6.2 (...) Hieruit volgt dat het project – in ieder geval voor zover dat bestaat uit een uitbreiding van het aantal fokstieren – alleen uitvoerbaar is door het uitbreiden van de stalruimte. Voor de beoogde wijziging van de inrichting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook – naast een vergunning voor de activiteit beperkte milieutoets – ook voor de activiteit bouwen, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, een omgevingsvergunning vereist.
6.3 Vervolgens ligt ter beoordeling de vraag voor of deze activiteiten ook onlosmakelijk met elkaar samenhangen, als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo. Het gaat dan om één fysieke activiteit, die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo.
Indien sprake is van dergelijke onlosmakelijke activiteiten mag, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3429), uitsluitend een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor elk van die activiteiten gezamenlijk. Het staat dan voor een aanvrager niet langer vrij om zelf te bepalen voor welke activiteiten van het project hij een omgevingsvergunning aanvraagt.
Op grond van deze vaste rechtspraak moet, in het geval dat niet voor alle categorieën activiteiten een omgevingsvergunning is aangevraagd, het college de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 van de Awb vragen om de aanvraag aan te vullen en indien aanvulling uitblijft, de aanvraag buiten behandeling te stellen.
6.4 De rechtbank is met eisers van oordeel dat de categorieën activiteiten beperkte milieutoets en bouwen voor het (deel)project ‘het huisvesten van 230 fokstieren in stal C’ niet fysiek en volgtijdelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden. Dit heeft tot gevolg dat deze activiteiten onlosmakelijk met elkaar samenhangen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo.
De rechtbank legt hieraan ten grondslag dat zonder de activiteit bouwen het fysiek niet mogelijk is om in stal C het door vergunninghouder aangevraagde aantal van 230 fokstieren te huisvesten. Daarnaast acht de rechtbank van belang de in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo opgenomen begripsbepaling van onlosmakelijke activiteit, waarbij geen enkele categorie van artikel 2.1 van de Wabo is uitgesloten. Dit betekent dat een onlosmakelijke activiteit ook kan zien op de omgevingsvergunningplichtige categorie ‘beperkte milieutoets’, zoals opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Voorts acht de rechtbank van belang dat de uiteindelijke vormgeving van stal C en het daarbij te kiezen stalsysteem van belang kan zijn voor de beoordeling van de beperkte milieutoets.
Nu vergunninghouder voor het (deel)project ‘het huisvesten van 230 fokstieren in stal C’ niet voor alle categorieën activiteiten een omgevingsvergunning heeft aangevraagd, is de rechtbank van oordeel dat het college ten onrechte vergunninghouder niet heeft gevraagd om de aanvraag aan te vullen."

M.e.r.-OBM onterecht verleend

Rechtbank Midden-Nederland, UTR 14/6532, UTR 14/6533, UTR 14/6534 en UTR 14/6535, 10 november 2015 (publicatiedatum 17 november 2015), Utrechtse Heuvelrug. Een OBM was verleend voor het wijzigen en uitbreiden van een veehouderij. Het ging onder andere uitbreiding met 895 vleesvarkens in een nieuw gebouw volgen biologische productiemethoden.
Volgens eisers heeft gemeente ten onrechte beslist dat er geen milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. De rechtbank overweegt het volgende:
"4.1. Eisers hebben verder in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft beslist dat geen milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Volgens hen bestaat daartoe de plicht, omdat 895 varkens wel degelijk aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In ieder geval vinden eisers de motivering van het besluit van verweerder om te beslissen dat geen MER hoeft te worden gemaakt onvoldoende. Verweerder heeft in het geheel niet gereageerd op hun betoog in bezwaar dat de ammoniakdepositie uitzonderlijk hoog is en schadelijk. Dit steekt te meer nu de normstelling waarnaar verweerder verwijst (het Activiteitenbesluit) helemaal geen betrekking heeft op ammoniakdepositie, maar alleen op ammoniakemissie. Depositie-eisen gelden immers niet bij biologische varkenshouderijen.
De plaats van het project en het opnamevermogen van het huidige milieu zijn in deze normen dus niet verdisconteerd. Het bedrijf heeft volgens eisers reeds hierom evident belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Ook de ligging van diverse woningen en het militair revalidatiecentrum in de directe omgeving van het perceel is ongunstig. Verder versterkt de omgeving met een hoge landschappelijke, natuurlijke en recreatieve waarde nog de evidentie van de nadelige gevolgen voor het milieu.
4.5.(...) Verweerder heeft zijn besluit dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten gebaseerd op het advies van de ODRU van 21 november 2013. Dit is toegestaan, maar dan dient verweerder op grond van artikel 3:9 van de Awb zich er wel van te vergewissen dat het door de adviseur verrichte onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze heeft plaats gevonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet (kenbaar) heeft voldaan aan deze vergewisplicht. Uit de tabel blijkt dat door de uitbreiding een enorme toename van de emissie van ammoniak gaat plaatsvinden. De vervolgens door de ODRU getrokken conclusie dat deze toename niet dusdanig is dat sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wekt bij de rechtbank verbazing en had dat ook bij verweerder moeten doen. Het is voor de rechtbank niet inzichtelijk op basis van welke feiten en omstandigheden deze conclusie is getrokken. Bovendien is deze conclusie niet toegespitst op de situatie ter plekke. Verweerder had bij de ODRU moeten nagaan waarop deze conclusie gebaseerd was of daar zelf onderzoek naar moeten doen. Voor zover de ODRU getracht heeft de conclusie te onderbouwen door erop te wijzen dat op grond van het Activiteitenbesluit uitbreiding mogelijk is in het geval sprake is van dieren die op biologische wijze worden gehouden, geldt dat dit een onjuiste redenering is. Eerst dient bepaald te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Wanneer dat het geval is, hoeft geen MER te worden opgesteld en kan een omgevingsvergunning verleend worden voor de activiteit OBM, waarna de inrichting onder het Activiteitenbesluit valt. Het kan niet zo zijn dat voorschriften uit het Activiteitenbesluit gebruikt worden om tot de conclusie te komen dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. Verweerder had dan ook kritisch moeten beoordelen of het advies volledig en consistent was. Door dit advies zonder meer over te nemen, zijn het primaire besluit en het bestreden besluit in strijd met artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. in combinatie met artikel 3:9 van de Awb tot stand gekomen. Doordat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende op de door eisers aangevoerde bezwaargronden over dit punt is ingegaan, is het bestreden besluit eveneens in strijd met artikel 7:12 van de Awb tot stand gekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning voor zover betrekking hebbend op de activiteit OBM niet op deze manier heeft kunnen verlenen. De beroepsgrond slaagt."

Wijziging is bepalend of OBM nodig is, achtergrondbelasting geur telt niet mee

Rechtbank Oost-Brabant, SHE 14/1251, 19 december 2014 (publicatie 13 januari 2015), Oirschot. Een aanvraag om een OBM voor het veranderen van een varkens- en paardenhouderij is afgewezen. Het gaat om een type B-bedrijf. De OBM is aangevraagd voor het houden van 2450 gespeende biggen en 1508 vleesvarkens. De OBM is geweigerd omdat geen milieueffectrapport (MER) is opgemaakt.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente alleen had mogen kijken naar de uitbreiding (wijziging): " 4.8 De rechtbank overweegt dat artikel 7.17 van de WMB (= Wet milieubeheer) een beperkter toetsingskader kent dan verweerder daarin gelezen heeft. Zij verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3726), waarin wordt bevestigd dat verweerder bij het beoordelen van de aanvraag voor een OBM uitsluitend de gevolgen van het project, met andere woorden: de wijziging, mag betrekken. (Opmerking: deze uitspraak 201401391/1/A4 gaat over de omgevingsvergunning milieu en de milieueffectrapportage, niet over de OBM). Niet in geschil is dat het project op zich geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, integendeel, de feitelijke milieusituatie zal door de uitvoering van het project verbeteren.
Verweerder heeft ten onrechte aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat er, gelet op de milieueffecten van de gehele inrichting van eiser, waaronder de risico’s voor de volksgezondheid, een verplichting bestaat een MER op te stellen. Slechts de risico’s vanwege de wijziging van de inrichting zijn relevant. Niet valt in te zien op welke wijze een vermindering van de geuremissie een nadelig effect op de volksgezondheid zou kunnen hebben."
Verder telt de invloed van het bedrijf op de achtergrondbelasting voor geur niet mee bij het bepalen of een OBM nodig is, want de Wet geurhinder en veehouderij is daarvoor het exclusieve toetsingskader bij een eventuele omgevingsvergunning milieu. Die zou nodig zijn bij de conclusie dat een MER nodig is. In de woorden van de rechtbank: "4.9 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de reeds aanwezige invloed van de inrichting op de achtergrondbelasting geen gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de OBM. Indien verweerder tot het oordeel zou komen dat een MER moet worden gemaakt is ten behoeve van de betreffende wijziging van de inrichting een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu vereist ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo, in samenhang met bijlage I, onderdeel B, van het Bor.
Bij de beoordeling van de aanvraag voor een dergelijke vergunning vormt de Wgv het dwingende toetsingskader. De Wgv normeert evenwel slechts de voorgrondbelasting geur en voorziet niet in een toets van cumulatieve geurhinder bij de beoordeling van de activiteit milieu. Uit artikel 3, eerste lid, van de Wgv, bezien in samenhang met artikel 2, eerste lid, volgt dat bij toetsing aan de in artikel 3 opgenomen geurnormen slechts de geurbelasting van de inrichting zelf in ogenschouw mag worden genomen.
Een beoordeling van de cumulatieve geurhinder (ofwel de achtergrondbelasting) in kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is niet toegestaan (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1607, alsmede de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
17 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1195).
Niet valt in te zien dat een beoordeling van achtergrondbelasting wel zou moeten worden gemaakt in een MER ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning milieu, terwijl de uitkomst van deze beoordeling geen enkele invloed kan hebben op de uitkomst van de vergunningsprocedure."

Bij OBM uitgaan van aangevraagde dieren, niet capaciteit stal

ABRvS, 201402081/1/A4, 5 november 2014, Hilvarenbeek. Volgens appellant is de gemeente van het onjuiste aantal dieren uitgegaan. Op basis van de bouwtekeningen passen in de stal meer dieren dan waarvan de gemeente is uitgegaan.
De Afdeling oordeelt: “7.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij de beoordeling van een aanvraag moet worden uitgegaan van het aantal en het soort dieren dat is aangevraagd en niet wat er (technisch) mogelijk zou kunnen zijn. In de aanvraag om de vergunning is onder meer vermeld dat in totaal 150 melkkoeien, 92 stuks vrouwelijk jongvee, 990 melkgeiten en 380 opfokgeiten in de inrichting worden gehouden, waarvan 130 melkkoeien en 6 stuks jongvee in de nieuwe stal worden gehuisvest. Het college is terecht van deze aantallen uitgegaan.”

Intrekken OBM voor saldering Nb-wet

ABRvS, 201010326/1/A4, 26 juni 2013, provincie Limburg. Deze uitspraak gaat over het intrekken van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). De appellant had aangevoerd dat de omgevingsvergunning milieu was vervallen met inwerkingtreding van het gewijzigde Activiteitenbesluit op 1 januari 2013, zodat de provincie deze niet kon intrekken. Maar dat is niet het geval, omdat deze vergunning een OBM was geworden en een OBM kan worden ingetrokken.
De rechter oordeelt: "4. MOB betoogt verder dat het besluit tot intrekking van de vergunningen van 29 januari 2013 voor de veehouderij aan de [locatie 2] geen stand kan houden, omdat de desbetreffende vergunningen op het moment van intrekking al zouden zijn vervallen als gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2013 van diverse wijzigingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. MOB stelt voorts dat tegen het intrekkingsbesluit beroep is ingesteld bij de rechtbank en daarom niet als mitigerende maatregel ten grondslag kan worden gelegd aan het herstelbesluit.
4.1. De ingetrokken vergunningen zijn oorspronkelijk krachtens de Hinderwet verleend. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) op 1 oktober 2010 moesten deze vergunningen op grond van het in artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht worden gelijkgesteld met een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo voor het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting.
Vervolgens is per 1 januari 2013 onder meer de aanwijzing van vergunningplichtige activiteiten in het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De veehouderij aan de Biezendijk te Ottersum is vanaf dat moment niet meer aangewezen als vergunningplichtige inrichting op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. In plaats daarvan is de inrichting in artikel 2.2a, eerste lid, aanhef en onder f, aangewezen als activiteit waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo vergunning is vereist.
Uit het in artikel X van het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) (Stb. 212, 441) opgenomen overgangsrecht volgt dat in een dergelijk geval de omgevingsvergunningen voor de veehouderij vanaf 1 januari 2013 moeten worden gelijkgesteld met omgevingsvergunningen voor een in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, genoemde activiteit.
4.2. Gezien het voorgaande mist het betoog van MOB dat de vergunningen voor de veehouderij aan de Biezendijk vanaf 1 januari 2013 zouden zijn vervallen, en daarom niet zouden kunnen worden ingetrokken, feitelijke grondslag. Het enkele feit dat tegen het intrekkingsbesluit beroep is ingesteld, brengt niet mee dat dit besluit reeds daarom niet als mitigerende maatregel mede ten grondslag mocht worden gelegd aan het herstelbesluit."

Opmerking: appellant heeft aangevoerd dat de vergunningen vervallen waren, en daarom niet konden worden ingetrokken. De Afdeling oordeelt dat de vergunningen wel ingetrokken mochten worden, omdat ze niet vervallen waren. Ze waren immers OBM geworden. De Afdeling gaat niet in op de vraag of terecht de OBM is gebruikt om te salderen, omdat de appellant dit niet heeft aangevoerd.
Verder voert appellant aan, dat tegen de OBM een beroepszaak loopt, en dat daarom deze niet voor saldering te gebruiken is. De Afdeling gaat daar niet in mee: ingesteld beroep is daarvoor niet bepalend.
Deze uitspraak is dan ook niet in strijd met Vraag en antwoord: OBM: salderen Natuurbeschermingswet 1998. Er is in deze zaak op 10 oktober 2012 een tussenuitspraak gedaan: 201010326/1/T1/A4.

Intrekken OBM nu drie jaar geen dieren gehouden

Rechtbank Oost-Brabant, SHE 12/2309, 21 juni 2013, Reusel-de Mierden. Deze uitspraak gaat over het intrekken van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). Dit is mogelijk, omdat er drie jaar geen rundvee is gehouden.
De Afdeling oordeelt: "12. Eiser is verder van mening dat verweerder bevoegd was om de omgevingsvergunning in te trekken. Volgens eiser is gedurende meer dan drie jaren geen rundvee in de inrichting gehouden.
13. Verweerder achtte zich niet bevoegd om tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan, omdat inmiddels in de inrichting weer rundvee werd gehouden en niet bewezen kon worden geacht dat er langer dan drie jaar geen rundvee binnen de inrichting van vergunninghouder aanwezig is geweest.
14. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat, nadat blijkens een notariële akte van 6 augustus 2008 16 koeien in de inrichting werden gehouden, verweerder tot driemaal toe (op 26 mei 2009, 25 februari 2011 en 9 maart 2012) heeft geconstateerd dat in de inrichting geen rundvee aanwezig was.
Niet is gebleken dat vergunninghouder de door verweerder op 24 februari 2012 gevraagde diertelgegevens heeft overgelegd. Deze gegevens zijn bij uitstek geschikt om vast te kunnen stellen of in een bepaalde periode dieren zijn gehouden. Ook andere gegevens over het houden van rundvee in de genoemde periode ontbreken in het procesdossier.
Eerst op 28 juni 2012 is door een toezichthouder van verweerders gemeente geconstateerd dat in de inrichting weer enkele runderen werden gehouden.
15. Tussen 26 mei 2009 en 28 juni 2012 zijn, gelet op deze gegevens, meer dan drie jaren verstreken waarin op geen enkel moment door verweerder is vastgesteld dat er in de inrichting runderen zijn gehouden. De rechtbank deelt dan ook niet verweerders opvatting, dat niet bewezen kan worden geacht dat langer dan drie jaar geen rundvee in de inrichting aanwezig is geweest en dat hij daarom niet bevoegd is om de omgevingsvergunning in te trekken."

Geen m.e.r.-OBM nodig, want geen oprichten, uitbreiden of wijzigen

Rechtbank Den Bosch, AWB 12/3154, 22 november 2012, Noord-Brabant. De vraag was of er een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor milieueffectrapportage nodig was (het ging om een inrichting voor het opslaan van schroot.) Dat was niet zo, omdat er geen sprake was van oprichten, wijzigen of uitbreiden. Bovendien was er voor die hoeveelheid schroot geen milieueffectrapportage nodig.
De rechtbank overwoog: "5.1 Verweerder heeft zich pas op de tweede zitting op het standpunt gesteld dat sprake is sprake van een activiteit als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder b, van het Bor en dat verweerder bevoegd is op basis van artikel 3.3a van het Bor omdat het een inrichting als bedoeld in categorie 28.4, van bijlage 1 onderdeel C van het Bor betreft.
5.2 Ingevolge artikel 2.2a, eerste lid, onder b, van het Bor worden als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i van de Wabo aangewezen, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting waarin zich geen gpbv-installatie bevindt, aangemerkt de activiteit als bedoeld in categorie 18.8 van bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit mer). Dit betreft de activiteit van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een inrichting voor de opslag van schroot.
5.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hieraan geen bevoegdheid kan ontlenen. Er is immers geen sprake van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een inrichting voor de opslag van schroot, want deze activiteit is al vergund in de milieuvergunning. Pas zodra sprake is van een wijziging of uitbreiding kan een vergunningsplicht ingevolge artikel 2.2a van het Bor ontstaan, op basis waarvan verweerder het bevoegd gezag zou kunnen worden. (...)

M.e.r.-OBM bij melkrundvee, drempelwaarde Besluit m.e.r.

ABRvS, 201309768/1/A1, 29 oktober 2014, Heumen. Het houden van melkrundvee valt niet onder art 2.2a lid 1 Bor, dus is geen m.e.r.-OBM nodig: overweging 14 " (...) Sinds 1 januari 2013 kan voor een inrichting die valt onder categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer en die, zoals hier, geen IPPC-installatie omvat en niet valt onder een andere categorie vergunningplichtige inrichtingen, aangewezen in de onderdelen B of C van bijlage I bij het Bor, de in artikel 7.18 van de Wet milieubeheer bedoelde beslissing of verklaring slechts worden verkregen via een eventuele vergunningprocedure op grond van artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor. Het houden van melkrundvee is in artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor echter niet genoemd als activiteit waarvoor een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo is vereist. Uit het voorgaande volgt dat de melkrundveehouderij niet vergunningplichtig is op grond van onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Bor, zoals dat sinds 1 januari 2013 luidt. “

Opmerking: In overweging 7 van de uitspraak gaat de Afdeling in op onlosmakelijke samenhang en m.e.r.. Dat het aantal melkrundvee onder de drempelwaarde categorie D14 van het Besluit m.e.r. zit, is niet bepalend voor de vraag of een m.e.r.-beoordeling nodig was. Daardoor was het niet uitgesloten dat voor het melkrundvee een omgevingsvergunning milieu nodig was, zodat er mogelijk onlosmakelijke samenhang bestond tussen het bouwen en oprichten van de melkrundveestal en in dat geval zou niet voldaan zijn aan artikel 2.7 lid 1 van de Wabo.
Het is op dit moment niet duidelijk hoe dit geïnterpreteerd moet worden en wat dit betekent voor de praktijk. Verdere jurisprudentie zal dit kunnen uitwijzen.

Melding Activiteitenbesluit

Melding bij type C-bedrijf

ABRvS, 30 juli 2014, 201211481/2/A4, Lingewaard. De Afdeling zegt het volgende over de melding Activiteitenbesluit: "Dat de normstelling voor bepaalde milieugevolgen van bepaalde activiteiten in vergunningplichtige inrichtingen daarmee is vervat in het Activiteitenbesluit milieubeheer, laat onverlet dat een wijziging van een vergunningplichtige inrichting moet worden verwerkt in de voor die inrichting geldende vergunning. Het doen van een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarvoor niet voldoende, want een dergelijke melding kan de vergunning niet wijzigen."

Opmerking: deze passage kan verwarring oproepen. Dit komt omdat bij type C bedrijven meestal geen vergunning nodig is voor een verandering die wordt gedekt door hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Zie hierover onze Vragen en antwoorden.
In de context van de rest van de uitspraak blijkt dat de Raad hiermee kennelijk bedoelt dat het bevoegd gezag bij wijziging van een vergunning eerder gemelde wijzigingen niet mag negeren. Het bevoegd gezag mag dus bij het opstellen van een revisievergunning of gewone wijzigingsvergunning niet uitgaan van de huidige situatie exclusief de gemelde wijzigingen. Denk bijvoorbeeld aan een plattegrond waarop ook gemelde wijzigingen moeten staan.

Moment van 'verkrijgen' rechten

Rechtbank Oost-Brabant, SHE 17/2409, 6 april 2018, Boxmeer.

Wanneer ontstaat het recht om een bepaalde hoeveelheid vee te houden als een bedrijf onder het Activiteitenbesluit valt? Het bestaan van deze rechten is van belang bij de toetsing aan artikel 3, vierde lid, van de Wgv. Er zijn verschillende antwoorden mogelijk:

  • de indiener ‘verkrijgt’ rechten op het moment van indiening van een volledige melding van een inrichting in overeenstemming met het Activiteitenbesluit
  • de indiener ‘verkrijgt’ rechten op het moment van aanvaarding van een dergelijke melding
  • de indiener ‘verkrijgt’ rechten op het moment van feitelijke uitvoering van een dergelijke melding

De rechtbank kiest voor optie c) op basis van een redelijke uitleg van het Activiteitenbesluit. In artikel 3.115, tweede lid, van het Activiteitenbesluit wordt gesproken over de geurbelasting die de inrichting veroorzaakte. Door een melding wordt nog geen geurbelasting veroorzaakt. Bovendien zouden inrichtingen de maximale milieuruimte binnen het Activiteitenbesluit kunnen gaan melden en claimen zonder er gebruik van te maken. Optie b) valt af omdat de mededeling van het bestuursorgaan geen rechtsgevolg heeft.

Het recht vanuit een omgevingsvergunning blijft wel behouden als een bedrijf daarna van rechtswege onder het Activiteitenbesluit is komen te vallen.

Overgangsrecht Activiteitenbesluit

Bestaand of nieuw bedrijf?

Rechtbank Noord-Holland, Awb 12-2780, 13 december 2013, gemeente Texel. Het ging om een horecabedrijf. De vraag is of het een bestaande of nieuwe inrichting betreft. De rechter overweegt: "6.5 (...) De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de aard en de werking van de inrichting sinds 2009 in belangrijke mate zijn gewijzigd. De enkele stelling van verweerder dat het equivalente geluidsniveau binnen de inrichting voor 2009 minder dan 80 dB(A) bedroeg en thans meer dan 80 dB(A) bedraagt, acht de rechtbank, wat ook zij van de aannemelijkheid van die stelling, daarvoor onvoldoende.
De rechtbank acht van betekenis dat op de locatie sinds 1988 een horecabedrijf is gevestigd en dat op de locatie sindsdien ook altijd een horecabedrijf in werking is geweest. De tekst van en de toelichting op artikel 6.15 van het Activiteitenbesluiten bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat onder die omstandigheden geen overgangsrechtelijke bescherming toekomt aan de inrichting."

Omdat par.3.3.2 Activiteitenbesluit geldt, vervalt vergunningvoorschrift

Rechtbank Den Haag, AWB 12/3183, 3 maart 2014, Rijnwoude. Het gaat om een inrichting bestemd voor de opslag van mest, compost, grond, schors, afvalhout, grof puin, zand en afgewerkte olie, en de vermenging van deze stoffen (hoofdactiviteiten) en voor het ten hoogste 12 keer per jaar verwerken van snoeiafval (nevenactiviteiten). Het is een type C-bedrijf. De gemeente heeft een voorschrift (4.9) opgenomen over een wasplaats.
De Afdeling oordeelt: "Paragraaf 3.3.2 van het Activiteitenbesluit is van toepassing op de wasplaats bij het bedrijf. Er hoefden met betrekking tot de wasplaats dan ook geen voorschriften in de vergunning te worden opgenomen. Dit onderdeel van de vergunning wordt beoordeeld als een melding onder het Activiteitenbesluit. Het accepteren van een melding is niet op rechtsgevolg gericht en daarom niet appellabel.
Nu verweerder heeft toegegeven dat voorschrift 4.9 van het bestreden besluit onwenselijk is vanwege strijd met de aanvraag en met de voorschriften van het Activiteitenbesluit, moet het bestreden besluit ook in zoverre worden vernietigd.
Aangezien verweerder nog maar één rechtens juiste beslissing kan nemen, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat voorschrift 4.9 van de vergunning komt te vervallen."

Vervallen vergunning heeft juridisch gezien nooit bestaan

ABRvS, 201301868/1/A4, 15 januari 2014, gemeente Dinkelland. Voor een bedrijf dat als type B onder het Activiteitenbesluit valt, is de eerder verleende vergunning van 3 juli 2013 vernietigd. Deze vergunning heeft juridisch gezien nooit bestaan, zodat men terugvalt op de eerder geldende vergunning.
De rechter zegt: "7.2. Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling dat de vernietiging van het besluit van 3 juli 2012, voor zover daarbij vergunning is verleend voor het veranderen van een inrichting, tot gevolg heeft dat die vergunning geacht moet worden in juridische zin nooit te hebben bestaan. Dat betekent dat onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo op 1 januari 2013, de vergunning van 14 november 2000 de geldende vergunning voor de inrichting was."


Uw onderwerpen