Jurisprudentie over gevaar van kruisbesmetting

Dieren kunnen ziektes bij zich dragen, waardoor risico's ontstaan voor andere bedrijven die in de naaste omgeving liggen. Er is dan risico op kruisbesmetting.

Gevaar van kruisbesmetting wordt in de eerste plaats geregeld in de regelgeving over de diergezondheid. Er is ruimte voor een aanvullende toets bij de beoordeling van aanvragen omgevingsvergunning milieu. In de woorden van de Afdeling: "De bestrijding van besmettelijke dierziekten is primair geregeld in wetgeving betreffende de diergezondheid. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets."

Bijzonder gevoelige bedrijven krijgen geen extra bescherming; dat komt voor hun eigen risico.

Geiten

Overzicht uitspraken

Hier vindt u een overzicht van uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en van de rechtbanken.

Verspreiding van dierziekten: de vergunningvoorschriften zijn voldoende

Rechtbank Noord-Holland, LK 13/1676, 20 augustus 2014, Hollands Kroon. Het ging om een pluimveebedrijf. Eiseres vreest onder andere voor de verspreiding van dierziekten. De rechtbank overweegt:
7.3 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3635) is de bestrijding van besmettelijke dierziekten voorts een aspect dat primair is geregeld in andere wetgeving dan de Wabo en de Wet milieubeheer. Wel is in het kader van de omgevingsvergunningverlening ruimte voor een aanvullende toets. (...)
7.4 Het besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken, waaronder het milieueffectrapport, geven blijk van een bespreking van de risico’s en een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de (gezondheids)risico’s te beperken, daaronder begrepen de gekozen afstand van de inrichting tot woningen, het gekozen stalsysteem en de aan de vergunning verbonden voorschriften welke zien op het huisvestingssysteem en de hygiëne binnen de inrichting. Voorts is gemotiveerd dat als gevolg van het toepassen van warmtewisselaars binnen de inrichting, wordt voldaan aan de geldende emissie-eisen. In de enkele, niet onderbouwde stelling van eiseres dat zij desondanks vreest voor een verspreiding van micro-organismen en endotoxinen en een verspreiding van dierziekten, heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren, dan wel daaraan nadere voorschriften te verbinden."

Gevaar voor kruisbesmetting niet aannemelijk gemaakt

ABRvS, 201112097/1/A4, 19 juni 2013, Noord-Brabant. Het ging om een pluimveehouderij. Appellant vreest, gezien de korte afstand tussen haar stallen en de opslagloods voor mest, voor kruisbesmetting van haar dieren. De Afdeling oordeelt:
"8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 november 2012 in zaak nr. 201105076/1/A4), is de bestrijding van besmettelijke dierziekten primair geregeld in andere wetgeving dan de Wet milieubeheer. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. (...)
8.2. Het college heeft, onder meer ter beperking van de risico's voor de volksgezondheid en besmettingsgevaar, voorschriften aan de vergunning verbonden die de hygiëne binnen de inrichting bevorderen. [appellante] heeft haar standpunt dat als gevolg van de opslag van mest in de opslagloods desondanks besmettingsgevaar en gevaar voor de volksgezondheid is te duchten, slechts onderbouwd door in algemene zin te verwijzen naar een in haar zienswijze genoemd, niet nader gespecificeerd onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) en naar stellingen van prof. dr. J. Fink-Gremmels over de opslag van mest in relatie tot besmettelijke dierziekten en volksgezondheid.
Hiermee heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de mestopslag uit een oogpunt van volksgezondheid dan wel het voorkomen van kruisbesmetting onaanvaardbaar moet worden geacht. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat [appellante] niet heeft gewezen op algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten waaruit een andere conclusie voortvloeit. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de risico's voor de volksgezondheid of besmettingsgevaar geen aanleiding geven om nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden dan wel de vergunning te weigeren. De beroepsgrond faalt."

Salmonella: de vergunningvoorschriften zijn voldoende

ABRvS, 201110809/1/A4, 24 april 2013, Putten, JG 2013/44 met noot Vos. Het ging om een nertsenhouderij. De Afdeling overweegt als volgt:
"11. [appellant sub 2] stelt dat de gezondheid van zijn koeien gevaar loopt door besmetting met salmonella vanwege het in werking zijn van de inrichting, nu verontreinigde lucht vanuit de inrichting wordt uitgeblazen over zijn melkkoeien in het weiland dat naast de stallen van de inrichting ligt. [appellant sub 2] stelt dat zijn bedrijfsbelang geen onaanvaardbaar risico op salmonellabesmetting verdraagt. Volgens hem heeft het college onvoldoende voorschriften aan de vergunning verbonden om besmettingsgevaar te voorkomen.
11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning voldoende voorschriften zijn verbonden om het risico op salmonellabesmetting te voorkomen, dan wel in voldoende mate te beperken. Aan de vergunning heeft het college onder meer voorschriften verbonden over het schoon en ordelijk houden van de inrichting, de behandeling van mest, het dagelijks afvoeren van mest naar een gesloten opslag en het bewaren van voer en kadavers.
11.2. De bestrijding van besmettelijke dierziekten is primair geregeld in andere wetgeving dan de Wet milieubeheer. Voor zover met het aspect besmetting in het kader van de Wet milieubeheer rekening kan worden gehouden, wordt overwogen dat het, gelet op hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, niet onaannemelijk is dat verspreiding van salmonella via stofdeeltjes en aerosolen in de lucht kan plaatsvinden met als gevolg een risico op salmonellabesmetting. [appellant sub 2] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting in de aangevraagde situatie een onaanvaardbaar risico op salmonellabesmetting met zich brengt. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er niet een zodanig risico op salmonellabesmetting is dat aan de vergunning nadere voorschriften moesten worden verbonden, dan wel dat de vergunning om die reden moest worden geweigerd."

Mond- en klauwzeer en andere dierziekten: vergunning terecht geweigerd voor veehouderij in de buurt van bedrijf, dat werkt met virussen van besmettelijke dierziekten

Vz ABRvS, 201105076/2/M2, 30 mei 2011, Lelystad, JM 2011/83 met noot Bokelaar en ABRvS, 201105076/1/A4, 28 november 2012, Lelystad, JM 2013/24 met noot Bokelaar. De gemeente heeft oprichtingsvergunning geweigerd voor bedrijf met pluimvee en varkens. De reden is het gevaar van uitbraak van besmettelijke dierziekten. De veehouderij komt op minder dan 300 meter van het CVI te liggen. Het CVI is een onderzoeksinstituut waar ze werken met virussen van besmettelijke dierziekten, zoals het mond- en klauwzeervirus. Daardoor bestaat het gevaar dat de varkens van de aangevraagde veehouderij besmet raken door virussen waarmee het CVI werkt, en vervolgens weer andere veehouderijen in de omgeving besmet. De gemeente heeft daarom een zone van 3 kilometer ingesteld rondom het CVI. De Voorzitter vindt dit terecht.
In de bodemprocedure (de uitspraak van 29 november 2011) oordeelt de Afdeling dat de gemeente de vergunning voor de veehouderij kon weigeren vanwege de korte afstand tot het CVI. Het CVI is weliswaar de bron van de dierziekten in plaats van de veehouderij - maar als de veehouderij besmet raakt, vormt die een groot gevaar voor de omgeving: "5.1. De Afdeling overweegt dat de door het college gewenste zone van 3 km rond het CVI waarbinnen de vestiging van veehouderijen volgens het college moet worden voorkomen, primair in een bestemmingsplan kan worden vastgelegd. In deze procedure is echter niet de vraag naar de rechtmatigheid van een mogelijk planologisch in te stellen zone aan de orde, maar de vraag of de Wet milieubeheer, de planologische situatie daargelaten, de mogelijkheid biedt om de vergunning voor de op minder dan 300 m van het CVI te vestigen veehouderij te weigeren vanwege het gevaar van de verspreiding van dierziekten.
5.2. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de gevolgen voor het milieu betrekken die de inrichting kan veroorzaken gezien haar geografische ligging.
Het college moet de gevolgen vanwege de inrichting voor het milieu dus niet slechts op zichzelf gezien beoordelen, maar daarbij tevens de ligging van de inrichting in de beoordeling betrekken. In zoverre mocht het college de omstandigheid dat de veehouderij op korte afstand van het CVI zou komen te liggen in zijn beoordeling betrekken.
[appellant] stelt weliswaar terecht dat het gevaar van de verspreiding van dierziekten primair uitgaat van het CVI, maar dat neemt niet weg dat de veehouderij, indien die wordt besmet, het gevaar veroorzaakt dat die besmetting zich van daar uit verspreidt.
Gelet op het voorgaande heeft het college de omstandigheid dat de veehouderij, gezien haar ligging in de nabijheid van het CVI, een risico vormt voor de verdere verspreiding van dierziekten vanuit het CVI, terecht bij het bestreden besluit betrokken.
5.3. De conclusie uit het voorgaande is dat de Wet milieubeheer in dit geval de mogelijkheid biedt om bij de beslissing op de aanvraag om vergunning het gevaar van de verspreiding van dierziekten veroorzaakt door de veehouderij en de invloed die de specifieke locatie van de veehouderij in de omgeving van het CVI op de omvang van dat gevaar heeft te betrekken. De beroepsgrond faalt."
Daarna is de vraag of de gemeente de vergunning terecht heeft geweigerd. Volgens de gemeente is het stellen van voorschriften niet voldoende, en moest ze wel de vergunning weigeren. "Het college wijst op de omstandigheid dat het CVI het enige laboratorium in Nederland is waar met levend mond- en klauwzeervirus mag worden gewerkt. Volgens het college bestaat er, ondanks de zeer strenge veiligheidsnormen waaraan het CVI moet voldoen, altijd een risico op een uitbraak van een besmettelijke dierziekte als gevolg van een calamiteit. Er is in dat geval een grote kans dat de op korte afstand te vestigen veehouderij besmet raakt, met als gevolg dat de kans dat een besmetting zich via die veehouderij verspreidt naar andere veehouderijen substantieel wordt vergroot, aldus het college.
Bij het verweerschrift heeft het college onder meer de door het CVI opgestelde tabel met vuistregels 'Risico rating en beslisboom bij kritische wijzigingen of afwijkingen' overgelegd. Daaruit volgt dat in de huidige situatie een laag risico op besmetting vanwege het CVI van evenhoevigen van veehouderijen bestaat, terwijl bij eenzelfde gebeurtenis in de situatie waarin de veehouderij op de gevraagde locatie zou zijn gevestigd, een substantieel risico aanwezig is. Voorts wijst het college op de grote gevolgen voor het dierenwelzijn, de aanzienlijke economische schade en de grote nadelige sociaaleconomische impact op veehouderijen en andere sectoren als gevolg van een uitbraak."
De Afdeling gaat mee met de redenering van de gemeente: "6.1. De Afdeling volgt het betoog van [appellant] dat zich rondom het CVI geen reëel besmettingsgevaar voordoet, aangezien er ook geen verbod op het vervoeren van vee over de openbare weg geldt, niet. Naar het oordeel van de Afdeling is het vervoer over de weg van een geheel andere aard en tijdsduur dan de vestiging van een veehouderij op korte afstand van het CVI en daarom niet vergelijkbaar. Ook voor het overige heeft [appellant] het standpunt van het college dat er een reëel risico bestaat op besmetting door het CVI van de veehouderij op de door hem gewenste locatie, en daarmee op verspreiding van die besmetting door de veehouderij, niet voldoende weerlegd.
6.2. De Afdeling is van oordeel dat in deze situatie de vestiging van een veehouderij op korte afstand van het CVI een reëel gevaar op verspreiding van dierziekten met zich brengt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het CVI een uniek laboratorium is, waarbinnen als gevolg van de aard van dit laboratorium steeds levende, zeer besmettelijke, virussen aanwezig zijn en dat het risico op een calamiteit niet kan worden uitgesloten. Dat deze kans klein is maakt dit, mede gezien de verstrekkende gevolgen indien zich een calamiteit zou voordoen, niet anders. Nu aannemelijk is dat de veehouderij een reëel risico op de verspreiding van dierziekten meebrengt, kon het college, gelet op de beoordelingsvrijheid die het toekomt bij de toepassing van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer, in redelijkheid de gevraagde vergunning weigeren vanwege dat risico. De beroepsgrond faalt."

Opmerking: het gaat hier om een specifieke situatie. Het CVI (Central Veterinary Institute) van Wageningen UR is het enige instituut in Nederland dat zich bezig houdt met het doen van onderzoek naar de bestrijding en controle van besmettelijke dierziekten, zoals mond-en-klauwzeer, vogelpest en BSE. Het CVI is geen bijzonder gevoelig bedrijf waarbij het risico voor eigen rekening zou komen.

Gevaar voor infectie en ziektes: geen reden voor weigeren vergunning, stellen nadere voorschriften of verplicht stellen grotere afstand

ABRvS, 200505067/1, 15 februari 2006, Zederik, AB 2006, 118 met noot Widdershoven. Het ging om een milieuvergunning voor een slachterij en grossierderij. Een veehouderij in de omgeving ging in beroep. Het was een bedrijf voor onder andere het vermeerderen van biggen. Appellanten waren bang voor infectie van de veestapel: "2.5. Appellanten betogen dat de komst van de inrichting vanwege de aanvoer van dieren besmettingsgevaar voor de dieren op hun varkens- en schapenbedrijf te Meerkerk en vermeerderingsbedrijf te Tienhoven met zich brengt. De biggen afkomstig van dit vermeerderingsbedrijf worden geplaatst in stallen op het bedrijf te Meerkerk.
Infectie van de veestapel kan desastreuze gevolgen hebben en zelfs de continuïteit van deze bedrijven bedreigen. Voorts worden de ziekte- en milieurisico's vergroot door de opslag van slachtafval aan de achterzijde van de inrichting, waar hun bedrijf te Meerkerk is gelegen, aldus appellanten. Zij betogen dat een minimale afstand van 1.000 meter is vereist, terwijl de afstand in dit geval 125 meter tussen de erfgrenzen van de inrichting en hun bedrijf te Meerkerk bedraagt."
De gemeente voerde aan dat de afstand tussen de slachterij en de veehouderij voldoende is."Voorts stelt hij dat het slachtafval inpandig wordt opgeslagen en permanent wordt gekoeld. Het verladen van het afval vindt plaats boven een daarvoor ingerichte laad- en losplaats met vloeistofdichte vloer voorzien van een daarop aangesloten riolering. Voorts zijn voorschriften ten aanzien van dit laden en lossen aan de vergunning verbonden, waaronder voorschrift C 20, waarin is bepaald dat direct na laad- en loswerkzaamheden de laad- en losvloer moeten worden gereinigd en gedesinfecteerd, aldus verweerder."
De Afdeling oordeelt: "Voor zover met het aspect besmetting rekening kan worden gehouden bestaat in hetgeen appellanten betogen, mede gelet op de door verweerder gegeven motivering, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanig risico van besmetting van vee dat de vergunning hierom moest worden geweigerd dan wel dat in dit verband nadere voorschriften aan de vergunning moesten worden verbonden. Daarbij overweegt de Afdeling dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat bij de vestiging van een inrichting als de onderhavige in verband met een risico op besmettingsgevaar een grotere afstand in acht moet worden genomen."

Besmettelijke dierziekten: voorschriften zijn voldoende

ABRvS, 200501764/1, 28 september 2005, Gorinchem. Appellanten vinden een nieuwe kalverhouderij een groot risico voor melkrundveehouderijen in de omgeving, vooral door het risico op besmettelijke dierziekten. Er zou een bufferzone van 250 meter moeten zijn. De Afdeling vindt van niet, de voorschriften zijn voldoende: " Aan de vergunning zijn onder meer voorschriften verbonden die mede gericht zijn op het voorkomen van besmettingsgevaar. Zo mag ingevolge voorschrift A.2 dierlijk afval niet op het terrein van de inrichting worden begraven en moet het zo spoedig mogelijk, volgens de bij of krachtens de Destructiewet gestelde regels, uit de inrichting worden verwijderd. Ingevolge voorschrift A.21 moeten kadavers aan de destructor worden aangeboden op de kadaverplaats onder een deugdelijke afdekking.
In hetgeen appellante sub 1 en appellanten sub 2 hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het vorenstaande en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanig besmettingsgevaar voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Voorzover appellante sub 1 stelt dat de inrichting ter voorkoming van besmettingsgevaar elders op het desbetreffende perceel moet worden gesitueerd, overweegt de Afdeling dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Met de voorziening die appellante sub 1 voorstaat zou de grondslag van de aanvraag worden verlaten, hetgeen zich niet verdraagt met het stelsel van de Wet milieubeheer."

Besmettingsgevaar: geen reden voor weigeren vergunning of stellen nadere voorschriften

ABRvS, 200405911/1 van 22 december 2004, provincie Groningen. Hier gaat het om een varkensmesterij. Appellanten betogen dat met de varkensmesterij de kans op het uitbreken van besmettelijke ziektes voor dieren toeneemt.
De Afdeling gaat niet mee met appellanten: "De Afdeling is van oordeel dat besmettingsgevaar voor dieren weliswaar een onderwerp is dat in beginsel bij de bescherming van het belang van het milieu moet worden betrokken, maar dat dit in de eerste plaats regeling vindt in de regelgeving betreffende de dierengezondheid. Op grond van hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om ervan uit te gaan dat het besmettingsgevaar voor dieren in het onderhavige geval zodanig is dat verweerder de vergunning om die reden, in verband met de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer in hun onderlinge samenhang bezien, had moeten weigeren dan wel nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. De beroepsgrond faalt derhalve.'"