Horen weilanden, paddocks en uitlopen bij een inrichting Wet milieubeheer?

Vraag

Wanneer hoort een uitloop, een paddock of een open terrein waar vee rondloopt, bij de inrichting?

Antwoord

In de regel horen weilanden en landerijen niet bij de inrichting, maar een uitloop of een paddock meestal wel. Dit blijkt uit jurisprudentie over het begrip inrichting van artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer. Een inrichting is: "elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht".

In deze definitie gaat het om bedrijfsmatige omvang, bedrijvigheid en begrenzing. De combinatie van deze factoren is vaak bepalend, zo blijkt uit jurisprudentie.

Weiland

Een weiland en landerijen zijn in de regel geen (deel van de) inrichting.

In ABRvS 200002942/1 en 2, 31 augustus 2000, Valkenburg a.d. Geul, JM 2000-11/158, oordeelde de Afdeling dat een weiland waarin schapen worden gehouden en waarin een schuilhok aanwezig is (die slechts ruimte bood aan max. 10 schapen) niet beschouwd kan worden als een inrichting in de zin van de Wm. Ook uit uitspraak ABRvS, 200005461/2 van 20 juni 2001 (JM2001-10/131, ABkort 2001-29/426, NB StAB 2001-4/K60, M&R 2001-9/176K) blijkt dat een weiland geen onderdeel kan uitmaken van de inrichting.

Toch kan - bij een intensief gebruik van een weiland - een weiland wél onderdeel zijn van de inrichting:

  • In ABRvS, 199900940/1 van 29 september 2000 oordeelde de Afdeling dat een weiland onderdeel uitmaakte van de inrichting (Nieuwsbrief StAB 2001-1/K84, AgriSelect 2000-10/4.2). Hierin kwam een afgezet open terrein aan bod. Het bevoegd gezag had terecht een weiland waarop struisvogels werden gehouden bij de aanvraag betrokken. Daarbij achtte de Afdeling het van belang dat "het weiland direct naast de bebouwing is gesitueerd en dat het is onderverdeeld in 24 compartimenten met elk daarvan een schuilhut en dat de struisvogels het hele jaar in deze compartimenten werden gehouden".
  • In ABRvS, 200508529/1 van 19 april 2006 oordeelde de Afdeling dat een weiland van één hectare, dat begrensd werd door een sloot en een gesloten afrastering, mede gezien de geringe omvang in relatie tot het aantal dieren kon worden gekenmerkt als een uitloopweide die intensief wordt gebruikt en maakte om die reden deel uit van de inrichting.

Uitloop en paddocks

Als de dieren toegang hebben tot de ruimte buiten, is deze ruimte onderdeel van het huisvestingssysteem. Wel wordt er onderscheid gemaakt tussen een uitloop die bedoeld is per dier meer ruimte te creëren, en een ruimte die bijdraagt aan het bruikbare leefoppervlak (en daarmee feitelijk het aantal dierplaatsen vergroot).

Een ruimte buiten die het aantal dierplaatsen niet vergroot - meestal een onoverdekte of vrije uitloop- hoort in het algemeen niet bij de inrichting.

Een ruimte die de uitloop wel vergroot - een overdekte uitloop of een 'Wintergarten'- telt wel mee bij de bepaling van het huisvestingssysteem.

Paddock

In uitspraak AMS 16/7630, 24 mei 2017, Amsterdam, van de rechtbank Amsterdam, kwam aan de orde welke afstanden golden voor een rusttuin voor paarden (een paddock) bij een stadsmanege. Het ging in dit geval om ruimtelijke ordeningsbesluit: een aanvraag voor het mogen aanleggen en gebruiken van een paddock in de binnentuin.
De afstanden van artikel 3.117 en 3.119 van het Activiteitenbesluit gelden alleen voor ‘dierenverblijven’. De vraag is of in de paddock paarden zullen worden ‘gehouden’. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidt de rechtbank af dat doorslaggevend is hoe intensief de paddock wordt gebruikt.   7.3. Tijdens de zitting is vastgesteld dat de beoogde paddock netto ongeveer 300 m2 groot is. De paddock wordt gedurende zeven uur per dag (tussen 10:00 en 17:00 uur) gebruikt door steeds drie paarden tegelijk, die iedere twee à drie uur worden gewisseld. [bedrijf 2] heeft op de zitting gesteld dat de paddock het gehele jaar door gebruikt zal worden, behalve bij regen en vorst. Naar het oordeel van de rechtbank is het gebruik onder deze omstandigheden zo intensief dat de paddock als dierenverblijf moet worden aangemerkt. Het college heeft bij de beoordeling van de aanvraag daarbij terecht niet de tijd die een individueel paard in de paddock doorbrengt als uitgangspunt genomen, maar de gebruiksduur van de paddock. Daarnaast is van belang dat de aangevraagde paddock naar verhouding klein is. Het gebruik van een paddock van bijvoorbeeld 1.000 m2 voor drie paarden is nu eenmaal minder intensief dan een paddock van 300 m2. Het college heeft dus terecht geconcludeerd dat de paddock een dierenverblijf is en dat daarom de minimale afstandseisen van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.

In ABRvS, 201103536/1/A4 van 30 mei 2012, Zandvoort ging het om zes paddocks.  Paddock nr. 1 wordt gedurende de zomer gebruikt door 10 tot 15 pony's die daar in de ochtend-, avond- en nachtperiode verblijven. Gelet op dit gebruik dient paddock nr. 1 als dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij te worden aangemerkt. Deze paddock kan niet als uitloop van een stal kan worden aangemerkt.
De overige paddocks worden blijkens de aanvullende informatie door maximaal twee paarden gedurende maximaal anderhalf uur en alleen overdag gebruikt. Gelet hierop kunnen de overige paddocks niet als dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij worden aangemerkt.

In ABRvS, 201012361/1/M2 van 7 september 2011, Maasdriel, ging het om acht paddocks. De paddocks dienen als een speelplaats waar de paarden hun benen kunnen strekken. De paddocks worden in de zomer nauwelijks gebruikt omdat de paarden dan in de wei staan. In de wintermaanden zullen de paddocks gemiddeld rond de twee uur per dag in gebruik zijn. Deze paddocks kunnen niet kunnen worden aangemerkt als een dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij.

Uitloop

In de uitspraak ABRvS, E03.97.1417, 15 februari 1999, Barneveld (deze uitspraak is alleen te lezen middels een abonnement bij het magazine Juridisch Milieurecht en dan te vinden bij editie 2000/7), was een uitloop van kippen in een buitenren onderdeel van de inrichting. In de uitloop liep 10% van de kippen van 10 uur 's morgens tot eind van de middag. Deze uitloop moest worden meegenomen bij de beoordeling van stank.

De mate van het gebruik van een weiland als uitloop (intensief of extensief) kan bepalend kan zijn, blijkt uit de uitspraak van de ABRvS, 200105119/1, 21 augustus 2002, Maasbree, Nieuwsbrief StAB2002-4/K65. Hierin kwam een oprichtingsvergunning aan de orde die was geweigerd voor 240 zeugen met als huisvestingsysteem "groepshuisvesting met weide-uitloop". De uitloop is omheind met prikkeldraad, ligt direct aansluitend aan de schuilhut en de voederplaats met voedersilo en wordt daarvan slechts gescheiden door een hekwerk dat op enkele plaatsen open kan. De zeugen mesten in de uitloopweide. Het schuilhok en de voerderplaats bieden geen reële mogelijkheid voor het mesten van 240 zeugen. De uitloopweide heeft een oppervlakte van 3,2 hectare. De zeugen zijn van april tot en met november aanwezig. Op goede redenen is dus overwogen dat het weiland niet extensief wordt gebruikt. De Afdeling is hierdoor van oordeel dat de uitloopweide deel uitmaakt van de inrichting.

Zie ook ABRvS, 200508529/1 van 19 april 2006, waarin een weiland dat als uitloopweide wordt gebruikt en wel zo intensief, dat het weiland onderdeel is van de inrichting.

Ook uit de uitspraak van ABRvS, 200205738/1 van 27 augustus 2003 en de uitspraak van de ABRvS, 200302055/1 van 24 september 2004 vormde een uitloop een onderdeel van de inrichting. Maar: in ABRvS, 200802217/1 van 1 oktober 2008 is een overkapte uitloop geen onderdeel van het dierenverblijf: "Gelet op de genoemde artikelen van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij in samenhang bezien met de toelichting op de Regeling geurhinder en veehouderij, heeft het college terecht gesteld dat de overkapte uitloop niet als onderdeel van het dierenverblijf moet worden aangemerkt. Gelet hierop neemt de afstand tot de dichtst bij de inrichting gelegen woning niet af. Het college heeft, voor zover het geurhinder betreft, dan ook in redelijkheid kunnen oordelen dat de verandering van de inrichting geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Het college heeft het bezwaar van [appellanten] in zoverre terecht ongegrond verklaard."


Uw onderwerpen