Afwijken bij AMvB aangewezen gevallen (kruimellijst)

Op grond van art 2.12, lid 1 onder a, sub 2 Wabo kan voor gevallen die per Algemene maatregel van bestuur (AMvB) zijn aangewezen met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de zogenaamde kruimelgevallen die in Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld bepaalde bijgebouwen, dakkapellen, nutsvoorzieningen en antenne-installaties.

Daarnaast is het op grond van de kruimellijst (Bijlage II, artikel 4, lid 11, Bor) mogelijk om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan. Het gaat dan om een periode van maximaal 10 jaar. Deze mogelijkheid vervangt het vroegere artikel 2.12, lid 2, Wabo.

U vindt hier informatie over:

Inhoud aanvraag

Uit de aanvraag moet duidelijk blijken waarop de aanvraag betrekking heeft. De aanvraag moet situatietekeningen bevatten van de huidige en toekomstige situatie en gegevens over het huidige en toekomstige gebruik. Verder moet aangegeven worden wat de gevolgen zijn voor de ruimtelijke ordening. Bij de aanvraag moet men ook de aard en omvang van het project aangeven. In de Regeling omgevingsrecht zijn de indieningsvereisten aangegeven (art. 1.3 en 3.2 Mor).

Beoordelen aanvraag

De toestemming afwijken bestemmingsplannen voor aangewezen gevallen kan alleen voor de gevallen en de bijbehorende voorwaarden uit Bijlage II, artikel 4 Bor. Daarnaast geldt de voorwaarde dat het aantal woningen niet mag toenemen (Bijlage II, artikel 5, lid 1 Bor).

Wordt niet aan deze verplichtingen voldaan, dan kan voor de omgevingsvergunning niet de grondslag van art 2.12, lid 1 onderdeel a onder 2 Wabo gebruikt worden, maar zal de grondslag van de uitgebreide afwijking bestemmingsplan (art. 2.12, lid 1 onderdeel a onder 3 Wabo) gevolgd moeten worden (zie buitenplanse afwijking bestemmingsplan).

Een uitzondering geldt voor tijdelijk bestemmen voor maximaal 10 jaar (Bijlage II, artikel 4, lid 11, Bor) en het gebruiken van bouwwerken (Bijlage II, artikel 4, lid 9, Bor).

De inhoudelijke beoordeling wordt gedaan aan de hand van:

  1. gemeentelijk beleid
  2. goede ruimtelijke ordening/Awb (zorgvuldige belangenafweging)
  3. verplichtingen (milieu)wetgeving

Ad 1. gemeentelijk beleid

Het bevoegd gezag heeft in principe beleidsvrijheid om wel of niet mee te werken aan een aanvraag afwijken bestemmingsplannen voor aangewezen gevallen. Dit blijkt uit de "kan"-bepaling van art 2.12 lid 1 Wabo. De invulling van de reikwijdte van deze beleidsvrijheid is sterk gebonden aan casuïstiek.

Neem het voorbeeld van een aanvraag van een dakkapel in het voordakvlak. Als er geen specifiek beleidskader is, zijn de omstandigheden van het geval bepalend bij de vraag of er medewerking moet worden verleend. Dit zal voor een enkele dakkapel niet gauw leiden tot een weigering. Maar bij de aanwezigheid van een geldend bestemmingsplan waarin duidelijk is aangegeven waarom dakkapellen aan de voorzijde niet wenselijk zijn, of bij strijdigheid met een Kruimelgevallenbeleid, hoeft de vergunning niet verleend te worden. Daarom hebben gemeenten vaak een Kruimelgevallenbeleid dat is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Hierin zijn de kaders weergegeven wanneer wel of geen vergunning verleend wordt.

Ad 2. goede ruimtelijke ordening / Awb (zorgvuldige belangenafweging)

In artikel 2.12, eerste lid, Wabo staat dat de toestemming tot afwijken bestemmingsplan in per AMvB aangewezen gevallen (art 2.12, lid 1 onderdeel a onder 2 Wabo) niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieraan moet men dus toetsen bij verlening van een dergelijke omgevingsvergunning.

Ad 3 verplichtingen (milieu)regelgeving

Hoewel de ruimtelijke impact van kruimellijstgevallen meestal beperkt is, is het niet zo dat er nooit toetsing aan milieuregelgeving plaats moet vinden. Zo zal een uitbreiding van een woning binnen de grenzen van de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico op basis van het Besluit externe veiligheid inrichtingen moeten worden gewijzigd. In sommige situaties is ook de Wet geluidhinder van toepassing. Zie voor meer informatie "Afwijken bestemmingsplan en Milieu".

Motivering

Bij de aanvraag moet gemotiveerd worden dat het initiatief past binnen het gemeentelijk (kruimelgevallen)beleid. Er mogen geen belemmeringen zijn vanuit de milieuregelgeving. Op basis van de Awb moet bevoegd gezag zorgvuldig de belangen afwegen. Afhankelijk van de specifieke situatie kan het daarom nodig zijn om voor bepaalde aspecten een nadere motivering op te nemen, zoals bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking, schaduwwerking, et cetera.

Er kan in het algemeen niet worden volstaan met de mededeling dat de aanvraag valt onder de gevallen en bijbehorende voorwaarden uit Bijlage II, artikel 4 Bor.

Procedurele aspecten

Voor afwijkingen van het bestemmingsplan die vallen onder de kruimelgevallen, geldt onder de Wabo de reguliere procedure. De beslistermijn is 8 weken. Bezwaar, beroep en hoger beroep zijn mogelijk. Er is geen terinzagelegging. Wel kunnen de artikelen 4:7 en 4:8 Awb worden toegepast binnen de 8 weken termijn (met eventuele verlenging van 6 weken). Als het bevoegd gezag na 8 weken geen besluit heeft genomen, is de vergunning van rechtswege verleend.

Wordt deze toestemming gecombineerd met een toestemming waarvoor de uitgebreide procedure is voorgeschreven gaat voor de gehele aanvraag deze uitgebreide procedure gelden.

Samenloop met toestemming bouwen

Als een aanvraag wordt ingediend voor «bouwen» en deze niet past binnen het bestemmingsplan, wordt de aanvraag (op basis van art. 2.10, lid 2 Wabo) ook gezien als een aanvraag voor «planologisch strijdig gebruik» als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onderdeel c Wabo. Er wordt dan automatisch getoetst of de omgevingsvergunning verleend kan worden op basis van de kruimelgevallenregeling.

Tijdelijk afwijken

Binnen de mogelijkheden van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2, Wabo is het daarnaast mogelijk om af te wijken voor onbepaalde en bepaalde tijd. Meer informatie daarover vindt u op onze webpagina over tijdelijk afwijken.