Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die worden veroorzaakt door:

  • de risico’s die worden veroorzaakt dooropslag, productie en het transport van gevaarlijke stoffen.
  • de risico’s die het in werking hebben van windturbines en luchthavens met zich mee brengen.

Het begrip risico is een combinatie van kans en effect. In zeer beperkte situaties is het effect bepalend (voornamelijk bij vuurwerk en munitie).

De reikwijdte van het begrip externe veiligheid is in die zin beperkt dat alleen naar slachtoffers ‘buiten de poort' wordt gekeken. In deze afbakening van het begrip externe veiligheid zit ook de link met de ruimtelijke ordening: de relatie tussen de risicovolle activiteit en haar omgeving. Onder andere de vuurwerkramp in Enschede (13 mei 2000) heeft aangetoond hoeveel impact een ongeval op haar omgeving kan hebben.

Volgens het beleid van de rijksoverheid gaat het bij externe veiligheid altijd om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of windturbines en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Andere calamiteiten, zoals bijvoorbeeld een dijkdoorbraak, valt niet onder het beleidsterrein van externe veiligheid.

Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in:

  • externe veiligheid voor inrichtingen en
  • externe veiligheid voor transport van gevaarlijke stoffen
  • externe veiligheid voor luchthavens
  • externe veiligheid voor windturbines

Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is vooral de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant.

Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens is specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit.

Een uitgebreider overzicht van de relevante wetgeving en een toelichting hierop is opgenomen in paragraaf Beleid, Wet- en regelgeving.

Onderdelen extern veiligheidsbeleid

Het externe veiligheidsbeleid omvat de volgende onderdelen:

Ruimtelijke scheiding

De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen besluiten over omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen), windturbines en luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid).

De aan te houden veiligheidsafstanden zijn meestal gebaseerd op (berekende) risico's. En soms op te verwachten effecten bij een calamiteit (voor ontplofbare stoffen zoals vuurwerk en munitie). Voor de afstanden die zijn gebaseerd op risico's worden normen voor het plaatsgebonden risico gehanteerd. Het groepsrisico is een richtwaarde en dit risico wordt kwantitatief en kwalitatief beschouwd in de verantwoordingsplicht groepsrisico. Zie hiervoor ook de paragrafen Bestemmingsplan en Beleid, Wet- en regelgeving.

Inventariseren en saneren

Belangrijk is om te inventariseren of voor bestaande risicobronnen voldoende afstand tot (geprojecteerde) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt aangehouden. Als het nodig is moet het proces in gang worden gezet voor wijziging van de ongewenste situatie.
Zie ook de paragrafen Bestemmingsplan en Beleid, Wet- en regelgeving.


Uw onderwerpen