Intrekken OBM

Artikel 2.33 en artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepalen wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken.

Voor de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) zijn de belangrijkste intrekkingsgronden:

Algemene intrekkingsgronden

1. De OBM kan worden ingetrokken op verzoek van de vergunninghouder (artikel 2.33, tweede lid onder b Wabo).

2. De OBM kan worden ingetrokken als er drie jaar geen gebruik van is gemaakt (artikel 2.33, tweede lid onder a Wabo):

  • Is de aangewezen activiteit éénmalig? Dan kan de OBM worden ingetrokken als de vergunninghouder deze niet binnen drie jaar uitvoert. Denk hierbij aan het oprichten of veranderen van een inrichting of installatie. Als de eenmalige oprichting of verandering wél is uitgevoerd, dan heeft intrekken weinig zin meer. De oprichting of verandering is dan al legitiem uitgevoerd.
  • Als een doorlopende activiteit OBM-plichtig is. Bijvoorbeeld het opslaan of bewerken van een afvalstof, het vervaardigen van betonproducten of het verwerken van polyesterhars. Dan kan de OBM worden ingetrokken als deze activiteit drie jaar lang niet heeft plaatsgevonden.

3. Een OBM die van rechtswege is verleend (lex silencio positivo), moet worden ingetrokken als de activiteit waarvoor de OBM verleend is ontoelaatbaar ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of dreigt te hebben (Wabo, artikel 2.33, 1e lid onder e). Dit is bedoeld om ernstige gevolgen van de lex silencio positivo te ondervangen.

Intrekkingsgronden in het kader van handhaving

Het intrekken is bij de volgende punten een instrument voor de handhaving. Hierbij moet het bevoegd gezag altijd een hersteltermijn geven (Wabo, artikel 5.19, 3e lid).

  1. De OBM kan worden ingetrokken als bij de aanvraag onjuiste informatie is verstrekt of informatie is achtergehouden (Wabo, artikel 5.19, 1e lid onder a).
  2. De OBM kan worden ingetrokken als de vergunninghouder de voorschriften van het Activiteitenbesluit (of andere algemene regels) niet naleeft (Wabo, artikel 5.19, 1e lid onder d). Het gaat hier over de naleving van de voorschriften van het Activiteitenbesluit voor de activiteit waarvoor de OBM is verleend.
  3. Een OBM die betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen of afvalstoffen van buiten de inrichting kan worden ingetrokken als de vergunninghouder de voorschriften van hoofdstuk 10 Wet milieubeheer niet naleeft (Wabo, artikel 5.19, 2e lid).
  4. Als een integriteitsbeoordeling als bedoeld in de Wet Bibob een weigeringsgrond is voor de OBM (Bor, 5.13b, 2e lid), kan de OBM ook worden ingetrokken vanwege een integriteitsbeoordeling (Wabo, artikel 5.19, 4e lid onder b). Intrekken om deze reden kan zich bijvoorbeeld voordoen als na verlening van de OBM blijkt dat de activiteit door een ander - niet integer - persoon wordt uitgevoerd.

Ontoelaatbare nadelige milieugevolgen geen intrekkingsgrond voor de OBM

De intrekkingsgrond van artikel 2.33, eerste lid onder d, Wabo (ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu) is niet van toepassing op een OBM.

Deze intrekkingsgrond heeft alleen betrekking op de Omgevingsvergunning milieu (Wabo, artikel 2.1, eerste lid onder e) niet op de OBM (Wabo, artikel 2.1, eerste lid onder i).

De juridische basis hiervoor ligt in het begrip "inrichting". De Wabo definieert het begrip "inrichting" anders dan de Wet milieubeheer. In de Wabo is een "inrichting" altijd een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning milieu (Wabo, artikel 2.1, eerste lid onder e) nodig is. Een inrichting type C in de zin van het Activiteitenbesluit dus.

Artikel 2.33, eerste lid onder d, van de Wabo is gericht op de "omgevingsvergunning voor een inrichting". Daarmee wordt dus de Omgevingsvergunning milieu bedoeld.

Geen speciale intrekkingsgrond voor OBM

In artikel 2.33 lid 2f van de Wabo staat een mogelijkheid om een intrekkingsgrond speciaal voor de OBM op te nemen in een AMvB. Dit is nooit gebeurd.