Versobering m.e.r.-procedure (artikel 1.11 Chw)

U vindt hier het jurisprudentieoverzicht voor de versobering van de m.e.r.-procedure (artikel 1.11 Chw) over de periode tot en met januari 2017.

Tot en met 31 januari 2017 namen wij alle uitspraken op waarin de Chw voorkwam. Gelet op de huidige gemiddelde aard van deze uitspraken is per 1 februari 2017 besloten om alleen nog de juridisch relevante en daardoor nieuwswaardige uitspraken op te nemen.

Het betreft alleen uitspraken die afkomstig zijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

ABRvS, 16 september 2015, nr. 201409043/1/R6

Betreft het beroep tegen het besluit van 29 september 2014 van de minister tot vaststelling van het tracébesluit “Zuidelijke Ringweg Groningen fase 2”.
Oordeel ABRvS:
Gelet op artikel 1.11, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 1.1, tweede lid, van de Chw kon de minister afzien van een afweging van alternatieven in het MER en behoefde geen advies aan de Commissie voor de m.e.r. te worden gevraagd. De minister was niet verplicht het advies van de commissie voor de m.e.r. van juli 1999 mee te nemen, nu het geen betrekking heeft op dit tracébesluit. Zoals onder 11.3 is overwogen kon de minister afzien van een afweging van alternatieven in het MER, maar ingevolge artikel 1.11, tweede lid, van de Chw bevat het MER een schets van de voornaamste alternatieven die zijn onderzocht en van de mogelijke gevolgen voor het milieu daarvan, met een motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven, indien door degene die de betreffende activiteit wil ondernemen, ten behoeve van de voorbereiding van het besluit waarvoor een milieueffectrapport wordt gemaakt, onderzoek is verricht naar de gevolgen voor het milieu die alternatieven van de voorgenomen activiteit kunnen hebben. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 7] en anderen, VvE Vondellaan 186-312, Stichting Leefomgeving Zuidelijke Ringweg en anderen en [appellant sub 14] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister met de verwijzing in het MER naar de beschrijving van de alternatievenafweging in hoofdstuk 2 van de toelichting op het ontwerptracébesluit niet heeft voldaan aan artikel 1.11, tweede lid, van de Chw.

ABRvS, 20 augustus 2014, nr. 201306769/1/R6

Betreft beroep tegen het inpassingsplan "Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard" en het daarbij behorende exploitatieplan zoals vastgesteld door de provinciale staten van Zuid-Holland op 26 juli 2013.
Oordeel ABRvS:
14.4. Voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan is een MER opgesteld. Dit MER is een plan-MER voor zover het inpassingsplan voorziet in een biomassa-vergistingsinstallatie en, gelet op artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r., een besluit-MER voor zover het inpassingsplan voorziet in een bedrijventerrein van meer dan 75 ha.
14.5. De Afdeling overweegt dat, omdat de m.e.r.-richtlijn in Nederlandse wetgeving is omgezet, de doorwerking van die richtlijn in beginsel plaatsvindt via het nationale recht. Stichting Oude Kern Rijsoord en anderen en Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen hebben ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de m.e.r.-richtlijn onjuist of onvolledig is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer.
14.6. Onder verwijzing naar de uitspraak van 18 december 2011, zaak nr. 201100875/1/R2), stelt de Afdeling voorop dat het antwoord op de vraag welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
14.7. In het MER staat over de locatiekeuze dat deze keuze grotendeels is bepaald door de aantrekkelijkheid van het bedrijventerrein in de vorm van een agrologistiek cluster. Daarbij is een goede ligging ten opzichte van bestaande infrastructuur, potentiële werknemers en bestaande afnemers en leveranciers van belang. In het MER wordt geconcludeerd dat de locatie Nieuw Reijerwaard voldoet aan deze criteria, gelet op de aanwezige rijkswegen, de nabijheid van de steden Rotterdam, Barendrecht en Ridderkerk en het reeds aanwezige agrologistieke cluster op de bedrijventerreinen Barendrecht Noordoost en Veren Ambacht. In het MER zijn voorts twee ontwerpschetsen en drie inrichtingsalternatieven beschreven. In het MER is tevens gemotiveerd waarom de gekozen gebiedsinrichting de voorkeur heeft gekregen.
14.7.1. In de aanvulling op het MER is een overzicht opgenomen van de verschillende onderzoeken die zijn gedaan naar locaties voor een agrologistiek bedrijventerrein in de regio Groot-Rijnmond en de besluitvorming over dit agrologistieke bedrijventerrein. Uit dit overzicht blijkt dat de locatie Nieuw Reijerwaard reeds in 2005 is aangewezen als zoekgebied voor een bedrijventerrein. De locatie Hoeksche Waard was op dat moment evenwel de eerste keus om een bedrijventerrein te realiseren. In 2008 is besloten om deze locatie niet te ontwikkelen.[..]14.7.2. Naar aanleiding van de uitkomsten van de ruimtelijke verkenning is blijkens de aanvulling op het MER gekozen voor de locaties Nieuw Reijerwaard, Bolnes-Zuid en Dordtse Kil IV als alternatieven voor de Hoeksche Waard. Vervolgens is besloten om de locatie Bolnes-Zuid niet te ontwikkelen, omdat deze deel uitmaakt van de groene zone rondom Ridderkerk. Het gevolg hiervan was dat de voorziene oppervlakte van de locatie Nieuw Reijerwaard is vergroot van 50 ha tot 90 ha. De keuze voor Nieuw Reijerwaard is vervolgens vastgelegd in de provinciale structuurvisie, gemeentelijke structuurvisies en bijlage II bij de Chw. Voor de provinciale structuurvisie is tevens een plan-MER opgesteld.
14.7.3. Uit het voorgaande volgt dat de keuze voor de locatie Nieuw Reijerwaard voortvloeit uit een lang besluitvormingsproces, waarbij de uiteindelijke locatiekeus volgt uit diverse onderzoeken en beleidsstukken, waaronder de ruimtelijke verkenning en de provinciale en gemeentelijke structuurvisies. In de ruimtelijke verkenning zijn alle relevante locaties voor een bedrijventerrein van de gewenste omvang binnen de regio Groot-Rijnmond onderzocht. [..] Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemend hetgeen hiervoor onder 13. en verder is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan een toereikend alternatievenonderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de eisen uit artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Gelet hierop mist het betoog van Stichting Oude Kern Rijsoord en anderen en Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen dat in strijd met de m.e.r.-richtlijn geen toereikend alternatievenonderzoek is uitgevoerd voor het onderhavige inpassingsplan, feitelijke grondslag, zodat de vraag in hoeverre artikel 1.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw verenigbaar is met de m.e.r.-richtlijn thans niet hoeft te worden beantwoord. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
[..]
14.8. Voor zover Stichting Oude Kern Rijsoord en anderen en Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen hebben betoogd dat de alternatievenafweging uit het MER voor het bedrijventerrein Hoeksche Waard in strijd met artikel 1.11, tweede lid, van de Chw niet zijn betrokken bij het MER voor het onderhavige inpassingsplan, overweegt de Afdeling als volgt.
Op grond van artikel 1.11, eerste lid, is artikel 7.23 van de Wet milieubeheer, voor zover dat regels stelt over alternatieven voor de voorgenomen activiteit, niet van toepassing. Op grond van het tweede lid bevat een MER een schets van de voornaamste alternatieven die zijn onderzocht, indien door degene die de desbetreffende activiteit wil ondernemen, ten behoeve van de voorbereiding van het besluit waarvoor op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een MER wordt gemaakt, onderzoek is verricht naar de gevolgen voor het milieu van die alternatieven. De Afdeling overweegt dat de MER voor de locatie Hoeksche Waard is opgesteld in voorbereiding op een besluit over de realisering van een bedrijventerrein op die locatie. Gelet hierop is het MER voor de locatie Hoeksche Waard niet ten behoeve van het vaststellingsbesluit voor het onderhavige inpassingsplan opgesteld. Reeds hierom faalt het betoog van de stichtingen en anderen dat de alternatievenafweging uit het MER voor de Hoeksche Waard in het MER voor het onderhavige inpassingsplan had moeten worden betrokken.
14.9. Ter onderbouwing van hun betoog dat bij de voorbereiding van het inpassingsplan met betrekking tot de locatiekeuze geen adequate strategische milieubeoordeling in de zin van de richtlijn is uitgevoerd, verwijzen Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen slechts naar het toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r., waaruit zou blijken dat de keuze voor de locatie Nieuw Reijerwaard niet adequaat is onderbouwd. De commissie vermeldt in het toetsingsadvies echter dat in eerste instantie in het MER een voldoende onderbouwing van de locatiekeuze ontbrak, maar dat in de aanvulling op het MER invulling is gegeven aan de geconstateerde tekortkoming. Vervolgens oordeelt de Commissie voor de m.e.r. dat het MER en de aanvulling daarop de essentiële informatie bevatten om een besluit te kunnen nemen over het inpassingsplan waarin het milieubelang volwaardig wordt meegewogen. Mede gezien hetgeen hiervoor onder 13. en verder werd overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen op dit punt is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat bij de voorbereiding van het plan, in strijd met de richtlijn, geen deugdelijke onderbouwing van de locatiekeuze heeft plaatsgevonden. Evenmin ziet de Afdeling in het voorgaande aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.
[..]
14.10. Over de alternatievenafweging in het MER, voor zover het een plan-MER betreft voor de voorziene biomassa-vergistingsinstallatie, overweegt de Afdeling als volgt. Over de voorziene biomassa-vergistingsinstallatie staat in het MER dat deze installatie voor de benodigde biomassa grotendeels afhankelijk zal zijn van het bioafval dat wordt geproduceerd door de agrologistieke bedrijven op het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard. Verder staat in het MER dat de verwerking van biomassa, gezien de grote hoeveelheid, het volume en de bijbehorende milieubelasting bij transport van de biomassa, in de directe omgeving van de bron zou moeten plaatsvinden. Provinciale staten hebben verder ter zitting toegelicht dat binnen het plangebied is beoordeeld waar de biomassa-vergistingsinstallatie zou kunnen worden gebouwd. Uit deze beoordeling kwam naar voren dat de installatie vanwege de verwachte milieueffecten enkel kan worden toegestaan op gronden die zijn bestemd voor bedrijven met milieucategorie 3.2 of hoger, maar dat er verder geen beperkingen worden voorzien. Andere locaties in de directe omgeving van het plangebied zijn ongeschikt gebleken, aldus provinciale staten.
Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat andere locaties voor de biomassa-vergistingsinstallatie redelijkerwijs niet in beschouwing hoefden te worden genomen.

ABRvS, 6 februari 2013, nr. 201209844/1/R4

Betreft beroep tegen het tracébesluit "N31 Traverse Harlingen" zoals vastgesteld door de minister van Infrastructuur op 20 augustus 2012.
Oordeel ABRvS:
Ingevolge artikel 1.11, aanhef en onder b, van de Chw is indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, artikel 7.32, vijfde lid van die wet niet van toepassing.
Zoals onder 3.1 is overwogen, is de Chw op het tracébesluit van toepassing. Het vereiste dat advies wordt ingewonnen van de commissie voor de m.e.r., dat voortvloeit uit artikel 7.32, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, geldt daarom niet voor het tracébesluit. De minister behoefde daarom geen advies van de commissie voor de m.e.r. in te winnen. Het betoog faalt.

ABRvS, 30 november 2011, nr. 201100819/1/R4

Betreft beroep tegen het door de minister van Infrastructuur en Milieu op 24 november 2010 vastgestelde Tracébesluit A2 Passage Maastricht.
Oordeel ABRvS:
Dat artikel 7.10 Wm (inhoudeisen van een MER) en 7.26 Wm oud (verplicht advies van Commissie m.e.r.) niet van toepassing zijn, ligt niet aan het besluit van de minister, maar aan de wet zelf, namelijk artikel 1.11 Chw.
NB: Het gaat hier om de toepassing van artikel 7.10 en 7.26 van de Wet Milieubeheer vóór de inwerkingtreding van de Wet modernisering m.e.r.-regelgeving op 1 juli 2010 (Stb. 2010, 20) op grond van het overgangsrecht van die wet.

ABRvS, 6 juli 2011, nr. 201009980/1/M2

Betreft beroep tegen het op 2 september 2010 door de minister van Verkeer & Waterstaat (thans van Infrastructuur en Milieu) vastgestelde Tracébesluit A4 Delft - Schiedam
Oordeel ABRvS:
Het tracébesluit is een besluit waarop afdeling 2 van hoofdstuk 1 Chw van toepassing is. Artikelen 1.6 en 16.a Chw en afdeling 3 (m.e.r.) van hoofdstuk 1 Chw zijn van toepassing. Het oude recht van hoofdstuk 7 Wm van vóór 1 juli 2010 is van toepassing. Daarom is op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 1 Chw artikel 7.10, eerste lid, Wm (oud) voor zover betrekking hebbend op alternatieven niet van toepassing.