Windturbines

Externe veiligheid speelt ook bij windturbines een rol. In het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling zijn daarom eisen opgenomen. Het gaat daarbij om risicocontouren en ontwerpnormen. Het Handboek Risicozonering Windturbines geeft invulling aan de risicomethodiek voor windturbines.

Personen buiten de inrichting van een windturbine, lopen het risico dat een ongeval met een windturbine ook hen treft. Denk hierbij aan:

  • ijsafwerping
  • mastbreuk
  • het afbreken van een turbineblad of de gondel

Omdat externe veiligheid relevant is bij windturbines, staan in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling veiligheidseisen. Dit zijn onder meer risicocontouren. Het Handboek Risicozonering Windturbines helpt bij het bepalen van deze risicocontouren.

Eisen Activiteitenbesluit

Windturbines op land vallen onder de type B inrichtingen van het Activiteitenbesluit. Paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit gaat in op het "in werking hebben van een windturbine".

In artikel 3.14 lid 1 staat dat elk jaar een beoordeling door een deskundige van de (veiligheid van) windturbine nodig is. Lid 2 geeft aan dat bij een vermoeden van een defect de windturbine direct buiten bedrijf moet worden gesteld. Het bevoegd gezag moet worden ingelicht.

In artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit staan de eisen vanuit het plaatsgebonden risico:

  • Voor kwetsbare objecten geldt een grenswaarde van 10-6/jr.
  • Voor beperkt kwetsbare objecten geldt een grenswaarde van 10-5/jr.

Deze laatste eis is anders dan bij veel andere activiteiten waar de 10-6 contour voor beperkt kwetsbare objecten als een richtwaarde geldt. Bij windturbines is dus ook een berekening van 10-5 contour nodig waarbinnen geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn.

Voor de definitie van een (beperkt) kwetsbaar object verwijst het Activiteitenbesluit naar het Bevi. Een windturbine is in principe zelf geen (beperkt) kwetsbaar object.

In het Activiteitenbesluit staan geen regels voor het groepsrisico bij windturbines. Bij een ruimtelijk besluit is het wel nodig om, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het groepsrisico in de afweging mee te nemen.

Eisen Activiteitenregeling

Windturbines moeten volgens de Activiteitenregeling voldoen aan de veiligheidseisen opgenomen in:

  1. NEN-EN-IEC 61400-1 Deel 1: Ontwerpeisen voor windturbines
  2. NEN-EN-IEC 61400-2 Deel 2: Ontwerpeisen voor kleine windturbines
  3. NEN-EN-IEC 61400-3 Deel 3: Ontwerpeisen voor offshore windturbines

Turbines die voldoen aan deze eisen, zijn ontworpen voor een levensduur van tenminste 20 jaar. De veiligheidssystemen zijn zodanig ontworpen dat de turbine onder alle weerscondities veilig in werking kan zijn. Ook in geval van storingen aan de turbine zelf zorgen de veiligheidssystemen ervoor dat de turbine tot stilstand komt. De werking van de veiligheidssystemen wordt periodiek gecontroleerd.
Aan het bevoegd gezag moet een NEN-certificaat getoond kunnen worden van een instantie die een accreditatie heeft voor het afgeven van deze certificaten.

Update Handboek Risicozonering Windturbines

Het Handboek Risicozonering Windturbines (versie 3.1 2014) is geüpdatet. Daarbij is het Handboek gesplitst in een Handreiking Risicozonering Windturbines v1.0 en een Handleiding Risicoberekeningen Windturbines (versie oktober 2019). Deze laatste is te vinden op de website van het RIVM onder Rekenvoorschriften omgevingsveiligheid. De Handreiking  kunt u op deze pagina vinden bij de downloads.

De invulling van de afstanden en risicomethodieken zoals staat in artikel 3.15a lid 3 t/m 5 van het Activiteitenbesluit, is niet in de Activiteitenregeling gebeurd. Voor de uitwerking hiervan kan gebruik gemaakt worden van de Handleiding Risicoberekeningen Windturbines.  Hierin staan generieke afstanden en risicomethodieken in het geval dat een berekening nodig is.

De Handreiking biedt een overzicht van wet- en regelgeving en beleid over de risico's van windturbines voor de omgeving. In de Handleiding staat beschreven hoe de risico's van windturbines en hoe de trefkansen moeten worden bepaald. Vergunningverleners, ontwikkelaars en eigenaren van infrastructurele werken kunnen de documenten gebruiken om de verandering van de risico's voor personen en objecten te bepalen wanneer windturbines in hun nabijheid geplaatst worden.

Een eerste stap die de Handleiding aangeeft, is het bepalen van het beïnvloedingsgebied van de windturbine. Dit gebied komt overeen met de maximale werpafstand van de windturbine.
Wanneer objecten zich binnen de maximale werpafstand van de geplande windturbines bevinden, is een kwantitatieve risicoanalyse nodig. Daarbij moet ook gekeken worden naar andere objecten binnen dit beïnvloedingsgebied. Dit kunnen bijvoorbeeld Bevi-inrichtingen, buisleidingen of een transportroute gevaarlijke stoffen zijn. De aanwezigheid van de windturbine kan namelijk leiden tot een cumulatie van risico's en daarmee een grotere plaatsgebonden risicocontour. Alleen voor buisleidingen staat in wetgeving ook dat die cumulatie in de berekening daadwerkelijk moet worden meegenomen.
De plaatsgebonden risicocontouren worden berekend met modellen. Hierbij kan de informatie uit de Handleiding Risicozonering Windturbines worden gebruikt.