BBT-conclusies en geur

In de BBT-conclusies voor de intensieve veehouderij staan voor geur het geurbeheersplan (BBT 12) en technieken om geur te voorkomen (BBT 13). BBT staat voor Beste beschikbare technieken.

Geurbeheersplan

In BBT 12 staat het geurbeheersplan. Dit is nodig als het bevoegd geurhinder bij geurgevoelige objecten verwacht. Of op basis van bekende gegevens kan onderbouwen dat sprake kan zijn van geurhinder. Bijvoorbeeld bij:

  • een bestaande overbelaste situatie
  • een historie van klachten
  • de geurnorm net niet wordt overschreden

Als dat het geval is dan geeft het bevoegd gezag invulling aan deze BBT-conclusie door eisen op te nemen in de omgevingsvergunning.

Als een geurbeheersplan nodig is, is ook monitoring verplicht.

Doel geurbeheersplan

Een geurbeheersplan is bedoeld om geurproblemen voor te zijn en om adequaat te reageren op problemen. Het verplicht de veehouder om kritisch te kijken naar de impact van geuremissie uit zijn bedrijf en om daar waar mogelijk maatregelen te nemen. De veehouder kan bijvoorbeeld rekening houden met tijdstippen voor uitvoeren van bepaalde activiteiten en met de weersomstandigheden. Hij kan kijken naar de effecten van voer op geur. En naar de locatie waar hij activiteiten verricht. Het doel is ook dat er meer communicatie is met de omgeving. Bijvoorbeeld dat de omgeving weet wanneer er een geurpiek kan zijn en waarom dat is.

Inhoud geurbeheersplan

In het geurbeheersplan staan volgens de BBT-conclusie in ieder geval de volgende elementen:

  • een protocol met passende acties en tijdschema's
  • een protocol voor de monitoring van geur
  • een protocol voor de reactie op geconstateerde geurhinder
  • een programma om de bron(nen) op te sporen, de geuremissies te monitoren, de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geuremissies te nemen
  • een herziening (evaluatie) van de historische geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten

Voorbeeld voorschrift
Binnen [..] maanden na het van kracht worden van deze vergunning is een geurbeheersplan opgesteld. In dit plan moet in ieder geval staan:
- een overzicht van de geurbronnen en wanneer piekemissies kunnen optreden
- de genomen en te treffen maatregelen om geuremissies te voorkomen of verminderen
- de wijze van het opsporen van een geurbron
- een protocol voor de monitoring van geur
- een protocol hoe om te gaan met geurklachten
- een jaarlijkse evaluatie van geurincidenten en genomen maatregelen
- een jaarlijkse evaluatie van veranderingen in management die effect hebben op geur

Het geurbeheersplan wordt actueel gehouden.

In het protocol hoe om te gaan met geurklachten staan acties om adequaat te reageren op geconstateerde geurhinder.

Protocol

In een geurbeheersplan neemt de veehouder een protocol op hoe hij omgaat met geurklachten. In dit protocol staan acties waarmee de veehouder adequaat kan reageren op geconstateerde geurhinder. In het protocol kan bijvoorbeeld staan:

  • de manier van registreren
  • het controleren van de werking van aangebrachte geurreducerende maatregelen en als nodig actie nemen
  • het contact opnemen met de omgeving
  • het tijdelijk staken van bepaalde activiteiten bij warm en windstil weer
  • het evalueren van recente veranderingen in het management, zoals voer en reiniging en als nodig aanpassen
  • het nemen van geurreducerende maatregelen

Het opstellen van een protocol is uiteraard niet voldoende. De veehouder moet de maatregelen uit het protocol uitvoeren en het protocol evalueren en actualiseren. Het maken en evalueren van het protocol en het uitvoeren van de acties en maatregelen moet het bevoegd gezag opnemen in de omgevingsvergunning. In overleg met de veehouder kan het bevoegd gezag bepalen welke maatregelen voor die specifieke situatie passend zijn. En deze vastleggen in de omgevingsvergunning.

Monitoring geur

Bij deze BBT-conclusie hoort BBT-conclusie 26 over monitoring. In BBT 26 staat het monitoren van geuremissies aan de hand van Europese standaardmethoden. Of als deze er niet zijn aan de hand van normen die een gelijkwaardige kwaliteit waarborgen.

Monitoring is alleen nodig in gevallen waar geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Door gebruik van de geuremissiefactoren kan met V-Stacks-vergunning op elk moment de geuremissie en de geurbelasting worden berekend. Deze geuremissiefactoren zijn gebaseerd op metingen volgens Europese standaardmethoden.

Jurisprudentie geurbeheersplan

In de uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:277 van 10 februari 2021 en de uitspraak 201901123/1/R4 van 23 december 2020 is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van geurhinder bij gevoelige receptoren op grond waarvan een geurbeheersplan nodig is. De geurbelasting zat in beide gevallen onder de norm.

In de uitspraak ECLI:NL: RBGEL:2019:639 van 19 februari 2019 oordeelt de rechtbank dat een overbelaste situatie een geval is waar geurhinder is te verwachten. In hoger beroep (ECLI:NL:RVS:2020:1741 van 22 juli 2020) oordeelt de Afdeling van de Raad van State dat als wordt voldaan aan de Wgv, ervan moet worden uitgegaan dat er geen geurhinder bij gevoelige objecten wordt verwacht.  In de uitspraak  201901123/1/R4 van 23 december 2020 geeft de Afdeling een nadere precisering van de in de uitspraak van 22 juli 2020 neergelegde rechtsopvatting en overweegt "dat op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wgv, het bevoegd gezag, voor zover hier van belang, bij de beslissing op de aanvraag ook in acht neemt dat in de inrichting ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast."

Ook in de uitspraak ECLI:NL: RBOBR:2020:10 van 7 januari 2020 gaat het over het geurbeheersplan. Het bevoegd gezag moet motiveren of er geurhinder wordt verwacht of niet.

Technieken beperken geuremissies

In BBT 13 staan de technieken die minimaal moeten worden gebruikt om geuremissie en/of geureffecten te voorkomen of te verminderen. Het gaat om een combinatie van technieken. Per geval moet het bevoegd gezag beoordelen welke technieken nodig zijn. En in de omgevingsvergunning vastleggen.

Als voldoende afstand aanwezig is tussen veehouderij en geurgevoelige objecten voldoet de veehouderij aan de eerstgenoemde techniek. Het bevoegd gezag moet beoordelen welke andere technieken voor die specifieke situatie aanvullend nodig zijn. Een aantal van de genoemde technieken zijn ook onderdeel van emissiearme huisvestingssystemen en reduceren zowel ammoniak als geur.

Het is niet zo dat de meest minimale technieken altijd voldoende zijn om aan de BBT-conclusie te voldoen. Dit hangt af van de specifieke situatie. Bijvoorbeeld de grootte van het bedrijf, de mogelijkheden tot reductie en de uitvoering van het bedrijf. Bij een groot bedrijf of grote stallen zijn duurdere technieken eerder betaalbaar. Per geval moet het bevoegd gezag beoordelen wat voor die specifieke situatie BBT is.

Alternatieve gelijkwaardige technieken kunnen management- of ventilatiemaatregelen zijn. Een ventilatiemaatregel heeft effect op de invoergegevens van V-stacks waardoor de verspreiding van geur verbetert. Denk aan het verhogen of verplaatsen van het emissiepunt of het verhogen van de uittreesnelheid.