Wettelijke eisen luchtkwaliteit

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt plaats volgens bepalingen in de Wet milieubeheer (Wm). De basis voor de luchtkwaliteitstoets staat in titel 2 van hoofdstuk 5 Wm. De luchtkwaliteitseisen zelf staan in artikel 5.16 Wm. De grenswaarden voor fijn stof (PM10) staat in bijlage 2 van de Wm. Het bevoegd gezag toetst alleen de buitenlucht concentratie. Deze kijkt dus niet naar de binnenniveaus in woningen en andere gebouwen.

Voor meer stoffen gelden grenswaarden. Bij een veehouderij is doorgaans alleen fijn stof als fractie PM10 relevant. Bij grote aantallen verkeersbewegingen toetst u soms ook voor stikstofdioxide.

Toetsingskader

Hoe neemt het bevoegd gezag de grenswaarden voor fijn stof in acht? Dat staat in artikel 5.16 Wm. Het bevoegd gezag moet aannemelijk maken dat er goede redenen zijn om de OBM of de omgevingsvergunning milieu voor fijn stof te verlenen. In artikel 5.16 lid 1 Wm staan de voorwaarden waaronder bevoegd gezag de vergunning kan verlenen. Als de omstandigheden aan een van de volgende drie voorwaarden voldoen, dan kan de vergunning verleend worden:

  1. Vergunningverlening is mogelijk, omdat de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. De concentratie fijn stof in de buitenlucht verbetert per saldo, of blijft tenminste gelijk. Zie artikel 5.16 lid 1 onder b van de Wm.
  2. Vergunningverlening is mogelijk, omdat de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van fijn stof. Zie artikel 5.16 lid 1 onder c van de Wm. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) geeft aan wat NIBM is.
  3. Vergunningverlening is mogelijk, omdat de concentratie fijn stof in de buitenlucht de grenswaarde niet overschrijdt. Dit laatste ondanks dat de activiteit in betekenende mate (IBM) bijdraagt aan de concentratie van het fijn stof. Zie artikel 5.16 lid 1 onder a van de Wm.

Er is nog een vierde grond. Artikel 5.16 lid 1 onder d geeft de mogelijkheid om de vergunning te verlenen als vestiging of uitbreiding van het bedrijf als het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsproject Luchtkwaliteit (NSL). Bij veehouderijen past men deze toetsgrond niet toe.

Het stappenplan van deze handreiking geeft een logische uitwerking van de toets als voornoemd.

De grenswaarden voor fijn stof (als PM10)

Voor fijn stof gelden de volgende grenswaarden:

  • de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m3. Er zijn ook regels voor het afronden van de decimalen. Hierdoor ligt de grenswaarde rekenkundig op 40,5 µg/m3
  • de daggemiddelde concentratie van 50 µg/m3. De concentratiefijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde

Voor fijn stof (PM2,5) geldt vanaf 1 januari 2015 een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Deze bedraagt 25 µg/m3. Meer informatie over PM2.5 vindt u verderop in deze handreiking.

Zeezoutcorrectie

In de fijn stof-concentratie zit ook de bijdrage van natuurlijke bronnen (artikel 5.19 lid 3 Wm). Bij overschrijding van de grenswaarde, moet het bevoegd gezag een aftrek op de achtergrondconcentratie voor zeezout toepassen.

Het toepassen van deze aftrek noemen we ook wel "de zeezoutcorrectie". Er is een aftrek voor de jaargemiddelde concentratie die per gemeente verschilt. Daarnaast geldt per provincie een aftrek voor het aantal overschrijdingsdagen. De werkwijze staat in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit en in artikel 5.19 lid 4 van de Wm. De getallen staan in bijlage 5 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit.

Tijdelijk verhoogde grenswaarden (vrijstelling)

De Europese Commissie heeft in 2008 aan Nederland vrijstelling (derogatie) verleend voor het voldoen aan de grenswaarden. Voor fijn stof (PM10) golden tot midden 2011 tijdelijk hogere grenswaarden. Op dat moment verliep de derogatie voor fijn stof. Nederland moet op dit moment voldoen aan de Europese grenswaarden. Voor NO2 liep de termijn op 1 januari 2015 af.

Overzicht van uitvoeringsregels

Bij de luchtkwaliteitstoets hoort een aantal uitvoeringsregels. Deze uitvoeringsregels liggen vast in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen. Dit zijn:

  • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (Besluit NIBM)(Stb. 2007, 440)
  • Regeling niet in betekenende mate bijdragen (Stcrt. 2007, 218)
  • Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Stcrt. 2007, 220)
  • Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 (Stcrt. 2007, 218)
  • Het Besluit gevoelige bestemming (luchtkwaliteitseisen) (Stb. 2009, 14)

Hierin zijn aanvullende bepalingen gesteld. Deze handreiking beschrijft de manier waarop het bevoegd gezag deze regels voor veehouderijen kan toepassen.

Over deze regelgeving is een aantal handreikingen beschikbaar:

Deze handreikingen hebben geen formele juridische status, maar de informatie kunt u gebruiken voor de besluitvorming.

De volgende tekst licht de inhoud van deze Besluiten en Regelingen verder toe.

Besluit en Regeling Niet In Betekenende Mate Bijdragen

Eén van de voorwaarden om de vergunning voor fijn stof te verlenen is de bijdrage op de concentraties. Het kan zijn dat de (toename van de) uitstoot van fijn stof beperkt blijft. Een initiatief voldoet als de (toename van de) uitstoot niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Daarmee bedoelt de wetgever de bijdrage aan de heersende concentratie PM10 in de buitenlucht. Als deze bijdrage niet in betekenende mate is, dan hoeft niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c Wm.

Het Besluit en de regeling NIBM leggen concreet vast, wat verstaan wordt onder 'niet in betekenende mate bijdragen'. Er zijn twee mogelijkheden.

  1. de toename is gelijk aan of minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 (≤ 1,2 µg/m3)[1]. Bij deze toets hoort een besluit en een Regeling <Link naar Besluit en Regeling Niet In Betekenende Mate Bijdragen>.
  2. de activiteit valt binnen de categorieën die zijn genoemd in de Regeling NIBM.

Hieronder staat een korte toelichting.

De bijdrage is kleiner dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde.

Een bijdrage is NIBM als hij voor maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor fijn stof is dat een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 μg/m3. Dit volgt uit artikel 2, lid 1, Besluit NIBM en Bijlage 1A van de Regeling NIBM. Door de afrondingsregels in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 komt dit neer op 1,24 µg/m³.

Het bevoegd gezag hoeft alleen het effect van de aangevraagde activiteiten te toetsen. Dus alleen van de wijziging(en) die met het besluit worden vergund. Dit blijkt uit de jurisprudentie. Meer informatie vindt u ook in de handreiking NIBM op onze website.

U kunt de bijdrage van een veehouderij indicatief toetsen met de vuistregel in deze handreiking. Een uitgebreide verspreidingsberekening is ook altijd mogelijk.

Aangewezen categorieën bedrijven

Een aantal categorieën bedrijven draagt per definitie NIBM bij, zoals akkerbouwbedrijven en witloftrekkerijen. Per definitie wil dus zeggen, los van hun individuele bijdrage op de jaargemiddelde concentraties fijn stof.

In bijlage 1B van de Regeling NIBM staat een aantal categorieën agrarische bedrijven. Deze dragen per definitie NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Dit staat los van hun berekende individuele bijdrage op de jaargemiddelde concentraties. Vergunningverlening voor deze bedrijven is voor fijn stof dus per definitie mogelijk omdat ze per definitie NIBM bijdragen. Deze bedrijven hebben overigens in de regel geen omgevingsvergunning milieu en geen OBM nodig. In ieder geval niet vanwege de aantallen te houden dieren.

Het gaat om de volgende soorten agrarische bedrijven:

  • akkerbouwbedrijven en tuinbouwbedrijven met open teelt
  • bedrijven met bedekte teelt (zoals witloftrekkerijen en teelt van eetbare paddenstoelen)
  • onverwarmde glastuinbouwbedrijven
  • glastuinbouwbedrijven met kassen van hoogstens 0,7 hectare
  • kinderboerderijen

Een toets aan de luchtkwaliteitseisen zelf is dus niet noodzakelijk. Deze bedrijven blijven hier verder buiten beschouwing.

NIBM niet toepassen in bepaalde gebieden

In vier gebieden in Nederland is het niet toegestaan om de NIBM toetsgrond bij bepaalde veehouderijen te gebruiken. Het gaat dan om veehouderijen met meer dan 800 kg fijn stof uitstoot. Het bevoegd gezag mag dan de vergunning niet verlenen met de NIBM-grondslag. Deze gebieden liggen in de gemeenten Asten, Nederweert, Deurne. Er ligt ook een gebied in delen van de gemeenten Barneveld, Ede, Renswoude en Scherpenzeel. De gemeenten en de veehouderijsector zijn betrokken geweest bij het aanwijzen van deze gebieden en van de bedrijfscategorie.De exacte ligging van de gebieden staat op kaartjes in bijlage 5 van de Regeling NIBM.

Het gaat vooral om gebieden met veel intensieve veehouderij. Daarbij met name om pluimvee- en varkenshouderijen. In deze gebieden zijn de concentraties zo hoog, dat bijna iedere nieuwe activiteit leidt tot nieuwe overschrijdingen. Daarom is het noodzakelijk om de toepassing van de NIBM-grondslag te beperken. Anders zouden er nog meer overschrijdingen van de grenswaarden voor PM10 kunnen plaatsvinden. Een toelichting op de aanwijzing staat in de nota van toelichting bij de publicatie in het Staatsblad.

Beperking van de toepassing van NIBM betekent niet dat in de aangewezen gebieden geen ontwikkeling meer mogelijk is. Alleen is de NIBM-grondslag niet meer bruikbaar. De andere voorwaarden in artikel 5.16 Wm om de vergunning te verlenen, blijven gewoon van toepassing.

Regeling beoordeling luchtkwaliteit

De Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl 2007) bevat voorschriften over het meten en berekenen van de luchtkwaliteit. Het vaststellen van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen moet volgens de eisen uit deze regeling plaatsvinden.

Zo verplicht de Rbl 2007 het bevoegd gezag bijvoorbeeld om:

Verder zijn in de Rbl bepalingen opgenomen over de locaties waar toetsing aan de grenswaarden dient plaats te vinden - zie pagina Plaats van toetsing.

Een technische uitwerking van de voorschriften uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 staat in de Handreiking 'Rekenen aan luchtkwaliteit' van IenM. Deze handreiking bevat achtergrondinformatie en een stappenplan. Ook is een overzicht opgenomen met uitleg van de beschikbare methoden en technieken om de luchtkwaliteit te bepalen. In het volgende hoofdstuk staat een uitwerking van het gestelde in die handreiking. Deze is gericht op het rekenen voor veehouderijen.

Projectsaldering

De Wet milieubeheer geeft de mogelijkheid tot projectsaldering. Deze mogelijkheid volgt uit artikel 5.16, lid 1b 2e. Projectsaldering betekent dat het bevoegd gezag een verslechtering van de kwaliteit van het milieu compenseert door elders maatregelen te nemen. Zie onze pagina over projectsaldering en de 'Handreiking saldering luchtkwaliteit'.

Voor veehouderijen zal projectsaldering onder de Wet luchtkwaliteit over het algemeen geen optie zijn. Er is namelijk maar één project/besluit: de beslissing op de vergunningaanvraag van die veehouderij. Als er al saldering plaatsvindt, dan is dat binnen één vergunning of één bedrijf.

Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit heeft geen toepassing voor veehouderijen.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

Het NSL is een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer. Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het doel is om de naleving van de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren, en om projecten mogelijk te maken.

Een korte beschrijving over het NSL vindt u in de veelgestelde vragen over NSL en op de pagina's over NSL . In het NSL besteedt de Rijksoverheid ook aandacht aan de intensieve veehouderijen - zie monitoring NSL veehouderijen.

De Rijksoverheid ondersteunt de gemeenten met het aanpakken van de problematiek. Het gaat dan bijvoorbeeld om de volgende maatregelen:

Monitoring voortgang NSL

De voortgang van het NSL wordt gemonitord met een jaarlijkse monitoringsronde. De monitoring brengt de overschrijdingen in detail in kaart. Het Bureau Monitoring betrekt gemeenten met veel grote veehouderijen en een hoge achtergrondconcentratie fijn stof actief bij deze monitoring.

Deze gemeenten controleren ieder jaar gegevens over hun veehouderijen. Waar nodig actualiseren en accorderen ze deze. Dit gebeurt aan de hand van een database met veehouderijgegevens in de monitoringstool. Dit is een webbased applicatie.

Op basis van deze gegevens berekent het RIVM elk jaar de luchtkwaliteit nabij de grote veehouderijen. Bureau Monitoring koppelt de resultaten terug aan de gemeenten die het betreft. Ook verwerkt het RIVM het resultaat in het jaarlijkse monitoringsrapport.

[1] De grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties van zowel NO2 als PM10 is 40 μg/m3. Dit betekent dat voor beide stoffen een maximale concentratietoename van 1,2 μg/m3 wordt beschouwd als NIBM.


Uw onderwerpen