ADR-Klasse 8 stoffen

Let op: U bekijkt nu de handleiding PGS 15 versie 2011. Ga hier naar handleiding PGS 15 versie 2016.

Stoffen die zijn ingedeeld in ADR klasse 8, VG II en III zijn bijtend of corrosief. In geval van een brand hebben deze stoffen minder vergaande gevolgen naar de omgeving van het bedrijf dan bijvoorbeeld de opslag van brandbare of giftige stoffen. Wanneer in een opslagvoorziening uitsluitend klasse 8, VG II en III (zonder bijkomend gevaar) aanwezig zijn, is een aantal bepalingen uit hoofdstuk 3 van PGS 15 niet van toepassing voor de opslag van deze stoffen. In voorschrift 3.2.11 is opgenomen dat voor de opslag van ADR klasse 8, VP II of III, zonder bijkomend gevaar de voorschriften 3.2.1, 3.2.4, 3.2.5, 13.2.8 en 3.2.10 uit hoofdstuk 3 niet van toepassing zijn. In onderstaand overzicht is opgenomen welke eisen niet van toepassing zijn.

Opslag stoffen klasse 8 VP II of III zonder bijkomend gevaar

Voorschrift

Aard opslagvoorziening

Niet van toepassing voor klasse 8, VG II en III:

Voor opslag van uitsluitend klasse 8, VG II en III geldt:

3.2.1

inpandig

uitpandig

De eis dat het dak niet brandgevaarlijk moet zijn, volgens NEN 6063.

Geen specifieke eis aan het dak van de opslagvoorziening.

3.2.4

inpandig

uitpandig

De eisen voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

Volgens PGS 15 geen eis aan de WBDBO.

3.2.5

Inpandig

uitpandig

Brandwerendheid eisen scheidende constructie.

Geen eisen aan een brandwerende constructie

3.2.8

Inpandig

uitpandig

Alternatieven om WBDBO van 60 minuten te behalen.

Volgens PGS 15 geen eis aan de WBDBO.

3.2.10

inpandig op verdieping

De eis dat bij een opslagvoorziening voor meer dan 500 kg of l de opslagvoorziening niet op verdieping mag zijn gelegen.

De opslag van meer dan 500 kg of l op een verdieping is toegestaan.

Opgemerkt wordt dat in het kader van overige regelgeving het mogelijk is dat er aan het pand waarin de opslag plaatsvindt wel degelijk eisen worden gesteld. Hierbij kan worden gedacht aan de WBDBO eis uit het Bouwbesluit. Vanuit de PGS 15 en de opslag van de betreffende stoffen is er geen noodzaak om deze aanvullende eisen te stellen

Daarnaast is in voorschrift 3.2.9 bepaald dat een inpandige opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen klasse 8, verpakkingsgroep II of III zonder bijkomend gevaar, maximaal 10.000 kilogram (in plaats van 2.500 kg) aanwezig mag zijn in een inpandige opslagvoorziening.

Zoals ook blijkt uit de toelichting zoals opgenomen is in de tekst van de PGS 15, zijn er wel een aantal eisen waaraan de opslag moet voldoen. Zie hiervoor de tekst in de PGS 15 zelf.

Relatie met hoofdstuk 4, opslag van meer dan 10.000 kilogram ADR klasse 8 VP II of III.

Als in een inrichting meer dan 10.000 kilogram ADR klasse 8 VP II of III wordt opgeslagen zijn de voorschriften vanuit hoofdstuk 4 van toepassing. Afhankelijk van de hoeveelheid zal er sprake zijn van een beschermingsniveau 1, 2 of 3. In Hoofdstuk 4 wordt ook gesteld dat de voorschriften vanuit hoofdstuk 3 eveneens van toepassing zijn voor de opslag van gevaarlijke stoffen in grotere hoeveelheden.

Veel gestelde vraag hierbij is hoe nu omgegaan dient te worden met de uitzonderingen zoals zijn gesteld in hoofdstuk 3 voor de opslag van ADR klasse 8 VP II of III. Geldt dit nu ook voor de opslag van meer den 10 ton?

Hierbij is van belang welk beschermingsniveau uiteindelijk van toepassing is om hier antwoord op te kunnen geven. Onderstaand een voorbeeld:

Er wordt meer dan 70 ton ADR-klasse 8 opgeslagen in een opslagvoorziening. Volgens de PGS 15 is dan hoofdstuk 4 van toepassing. Het is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de vlampunten van de stoffen, en het verpakkingsmateriaal (kunststof of metaal). Afhankelijk daarvan zal een beschermingsniveau 1, 2 of 3 van toepassing zijn (Tabel 4-1). Als beschermingsniveau 1 of 2 van toepassing is dan dient onder andere inzichtelijk te worden gemaakt hoe productopvang, bluswateropvang gerealiseerd is en wat de WBDBO van de betreffende ruimte is.

Als het om onbrandbare stoffen gaat en beschermingsniveau 3 van toepassing is dan zullen geen aanvullende eisen worden gesteld aan WBDBO en zijn de uitzonderingen zoals genoemd in voorschrift 3.2.11 van overeenkomstige toepassing. De standaard eisen uit het Bouwbesluit bieden dan genoeg bescherming.

Stoffenscheiding zuren en basen (klasse 8)

Stoffen van klasse 8 (bijtend) kunnen zowel zuur als basisch zijn. Dit betekent dat, ook voor opslag van uitsluitend klasse 8, moet worden beoordeeld of stoffenscheiding noodzakelijk is. De eigenschap kan in sommige gevallen uit de naam worden afgeleid (zoals mierenzuur, wat altijd een zuur is, en natronloog, wat altijd basisch is), maar meestal zullen de eigenschappen uit de classificatiecodes (ADR Tabel A of veiligheidsinformatieblad) moeten worden afgeleid. Een classificatiecode van C1 tot C4 betekent zuur, C5 tot C8 betekent basisch. In principe moeten zure en basische stoffen gescheiden worden opgeslagen, tenzij uit de beoordeling blijkt dat de reactiviteit dermate gering is dat bij het mengen van de stoffen zich geen warmte ontwikkeld. Informatie hiervoor kan worden verkregen bij een leverancier van een stof en in sommige gevallen ook uit het veiligheidsinformatieblad.