Geur dierenverblijven

Op deze pagina vindt u informatie over de juridische mogelijkheden om maatregelen te nemen bij bestaande voor geur overbelaste situaties vanwege het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven.

Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven

Voor bedrijven die volledig onder het Activiteitenbesluit vallen, zijn er geen juridische mogelijkheden om maatregelen te nemen. Reden is dat het aspect geurhinder uitputtend is geregeld in het Activiteitenbesluit.

Voor de vergunningplichtige veehouderijen heeft u de volgende mogelijkheden:

  • Het stellen van eisen bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een veehouderij op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).
  • Het stellen van eisen door het ambtshalve wijzigen van de omgevingsvergunning vanwege:
    • Ontwikkelingen sinds vergunningverlening
    • Nieuwe Beste Beschibare Techtniek-conclusies

Bedrijven die volledig onder het Activiteitenbesluit vallen

Voor bedrijven die volledig onder het Activiteitenbesluit vallen, bevat paragraaf 3.5.8 eisen voor geur van het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven. Geur is hiermee uitputtend geregeld. Het is daarom niet mogelijk om met de zorgplicht door maatwerkvoorschriften extra eisen te stellen aan geur van het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven.

Artikel 2.3a, vierde lid Activiteitenbesluit verhindert het stellen van maatwerkvoorschriften met artikel 2.7a, vierde lid Activiteitenbesluit. In de artikelen 3.115 tot en met 3.119a staan namelijk eisen voor de emissie van geur vanuit dierenverblijven.

Wel staan maatwerkmogelijkheden in artikel 3.123 en 3.124 Activiteitenbesluit. Het bevoegd gezag kan extra eisen aan de goede werking van een huisvestingssysteem en een luchtwasser om emissies naar de lucht (waaronder geur) te beperken. Deze mogelijkheid is beperkt tot de goede werking van het systeem en is niet ruimer toe te passen.

In artikel 3.123 Activiteitenbesluit staat de goede werking van het huisvestingssysteem en het voorkomen/beperken van emissies. De regeling is niet uitputtend door de woorden 'ten minste'. De bedoeling van dit artikel is dat dat het huisvestingssysteem voldoet aan de eisen die voor dat systeem gelden. Deze eisen staan in de stalbeschrijving (leaflet) en moeten zorgen dat de emissies niet hoger zijn dan de emissiefactor voor dat systeem. De  goede werking van het huisvestingssysteem gaat over emissies. Deze twee zijn niet los van elkaar te zien.

Verdergaande eisen om de emissies te beperken of de verspreiding te verbeteren zijn dus niet mogelijk. Deze staan namelijk los van de goede werking van het huisvestingssysteem. Het is daarom niet mogelijk om met maatwerkvoorschriften eisen te stellen die uitsluitend gaan over emissies. De eisen moeten een relatie hebben met de goede werking van het specifieke huisvestingssysteem. Alleen voorschriften zijn mogelijk, die een verdere invulling/verduidelijking geven van eisen die de goede werking waarborgen.

Bedrijven die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben

Veehouderijen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben, moeten zich houden aan de voorschriften uit de omgevingsvergunning milieu. Daarnaast geldt een aantal artikelen uit het Activiteitenbesluit. Van paragraaf 3.5.8 Activiteitenbesluit geldt maar een deel van de regels. Dit staat in artikel 3 Activiteitenbesluit. De beoordeling van geurhinder door de geurbelasting van dierenverblijven bij veehouderijen, gaat met de Wgv.

Aanvraag omgevingsvergunning

Bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning milieu voor het oprichten of veranderen van een veehouderij toetst het bevoegd gezag aan de Wgv. Er gelden maximale waarden voor geurbelasting en/of minimumafstanden.

De veehouder mag opvullen tot aan de maximale waarden voor geurbelasting en de minimumafstanden. Bij overbelaste situaties wordt de maximale waarde voor geurbelasting  overschreden.  Als de veehouder wil uitbreiden, kan dat alleen met de 50%-regeling. Deze regeling maakt het mogelijk om in bestaande overbelaste situaties toch uit te breiden. Voorwaarde is wel dat tegelijkertijd de mate van overbelasting naar beneden gaat. De 50%-regeling brengt weliswaar de overbelasting omlaag, maar de maximale waarde voor geurbelasting wordt nog steeds overschreden.

Artikel 2 lid 2 Wgv maakt een uitzondering op het exclusieve toetsingskader van de Wgv voor het toepassen van BBT (beste beschikbare technieken). Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften opnemen om te voldoen aan BBT. Weigeren van de vergunning kan als niet wordt voldaan aan BBT. Daarbij is niet de Wgv het toetsingskader,  maar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer.

Zolang de veehouder geen aanvraag omgevingsvergunning milieu indient voor oprichten of veranderen van een veehouderij, is er geen toets aan de  Wgv. De bestaande overbelaste situatie mag ongewijzigd blijven bestaan. Wel kan het bevoegd gezag de vergunning ambtshalve aanpassen om te voldoen aan BBT.

BBT geur

BBT voor geur is niet landelijk vastgesteld. Zo bevat het Besluit emissiearme huisvesting geen BBT voor geur. Het bevoegd gezag moet daarom per geval bepalen wat BBT is.

In vaste jurisprudentie legt de Afdeling bestuursrechtspraak een verband gelegd tussen BBT voor geur en het Besluit ammoniakemissie huisvesting[1]. Als een huisvestingssysteem voldoet aan het Besluit huisvesting, voldoet het ook  voor geur aan BBT.

In de toelichting bij het Besluit is bij de afweging van BBT voor ammoniak rekening gehouden met effecten op geur. Op rijksniveau is niet bepaald wat BBT voor geur is en ook staan er geen emissiegrenswaarden voor geur in het Besluit. Dit maakt het mogelijk dat per geval door het bevoegde gezag wordt bekeken of het aangevraagde huisvestingssysteem BBT is. [2]. Dit kan leiden tot extra eisen voor geur, zoals het aanpassen van de emissiepunten, of een aanpassing in het (schoonmaak)management.

Een aantal artikelen is van belang bij BBT:

  • In artikel 1 van de Wabo staat de definitie van BBT.
  • Artikel 5.4 Bor bepaalt hoe het bevoegd gezag BBT vaststelt als er geen BBT-document is.
  • Artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1, Wabo zegt dat het bevoegd gezag bij een beslissing op de aanvraag omgevingsvergunning milieu in acht neemt dat BBT wordt toegepast

De Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van de IPPC-richtlijn geeft informatie over het toepassen van BBT. Het lijkt erop dat de volgende  spelregels gelden voor toepassen van BBT.

Houd bij het bepalen van BBT voor een individuele inrichting rekening  met de technische kenmerken van een inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden. Zie de volgende passages van de memorie van toelichting:

  1. 7 en 8 : "Bij het vaststellen van de vergunningvoorschriften zal uitgaande van de relevante lokale en niet-lokale milieuaspecten van het bedrijf en zijn specifieke technische kenmerken moeten worden bepaald welke voor de betreffende sector beschreven beste beschikbare technieken moeten worden toegepast, dan wel in het geval met BBT het vereiste niveau van bescherming van het milieu niet kan worden bereikt, welke verdergaande technieken moeten worden toegepast." (Kamerstukken II, 2003/2004, 29711, nr. 3, p 7 en 8).
  2. 30  : "De voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden bepaald tegen de achtergrond van de doelstelling van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu en worden afgeleid van de beste beschikbare technieken die voor de betreffende bedrijfstak zijn beschreven in combinatie met de specifieke milieuomstandigheden bij dit bedrijf en zijn technische kenmerken."
  3. 11 : "Bij het opstellen van de vergunning voor een individueel bedrijf vormen de door de inrichting veroorzaakte milieueffecten, de specifieke technische kenmerken van de inrichting en de voor de betreffende sector beschreven BBT het referentiekader.[……] Bedoelde afwegingen kunnen er ook toe nopen om verdergaande maatregelen voor te schrijven dan de in de betrokken bedrijfstak als BBT aangemerkte technieken. Het gewijzigde artikel 8.11, derde lid, Wm biedt daartoe de ruimte, nu daarin wordt bepaald dat bij het opstellen van de vergunningvoorschriften ervan wordt uitgegaan dat in het bedrijf ten minste BBT moet worden toegepast."

Hieruit blijkt dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van BBT in ieder geval rekening moet houden met de technische kenmerken en met de plaatselijke milieuomstandigheden. Er staat immers dat bij het vaststellen van BBT ook lokale milieuomstandigheden of de specifieke milieuomstandigheden bij een bedrijf een rol spelen.

Maar onduidelijk is wanneer rekening houden met plaatselijke milieuomstandigheden mag, en wat dit inhoudt. Het lijkt erop dat het bevoegd gezag rekening mag houden met  zaken als de hoogte van de achtergrondconcentratie.

Verder blijkt uit de memorie van toelichting het volgende. Als het bevoegd gezag rekening houdt met de technische kenmerken van een inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden, gaat het om de BBT die in de betrokken bedrijfstak BBT is. Een techniek  die niet voor de hele bedrijfstak geldt als de BBT, is een verdergaande techniek (BBT+ of BBT++). BBT+ of BBT++ voorschrijven is niet mogelijk voor geur, omdat de Wgv die mogelijkheid niet uitdrukkelijk biedt. Dit in tegenstelling tot ammoniak en fijnstof. Daaarbij is wettelijk vastgelegd dat bij IPPC-bedrijven het eisen van BBT+ en BBT++ mogelijk is. Zie artikel 2 lid 2 Wet ammoniak en veehouderij en artikel 2.22, vijfde lid Wabo.

Grondslag verlaten

Bij besluiten over de omgevingsvergunning milieu is de aanvraag bepalend. De grondslag van de aanvraag mag niet worden verlaten. Een veehouder doet een aanvraag en hierop verleent het bevoegd gezag de vergunning . Deze vergunning mag niet te veel afwijken van de aanvraag.

Van het verlaten van de grondslag is al snel sprake bij voorschriften vanwege BBT. Zo mag het voorschrijven van een ander stalsysteem dan aangevraagd bijvoorbeeld niet.

Combineren met ambtshalve wijzigen

Het beslissen op een aanvraag omgevingsvergunning milieu kunt u combineren met  ambtshalve wijzigen of actualiseren. Dus in één procedure een besluit nemen op de aanvraag voor omgevingsvergunning milieu én ambtshalve voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning milieu.

Maatregelen

Geur in de veehouderij komt door de (microbiologische) afbraak van vaak organische componenten in mest, urine en voer. Geurhinder ontstaat door   de vorming van geur bij de bron, de emissie naar de omgeving en de verspreiding van geur.

Om geuroverlast te voorkomen kunnen maatregelen zich richten op een van deze schakels in de keten. Geurbronnen bij varkensstallen zijn het voer, de mestopslag in de stal, gedrag (hokbevuiling) en huisvesting (aandeel dichte vloer in relatie tot hokbevuiling). Bij pluimveestallen zijn dit voeding, mestopslag in de stal en huisvesting (strooisel, mest).

Ambtshalve wijzigen van de omgevingsvergunning

Ook zonder een aanvraag omgevingsvergunning milieu kan het bevoegd gezag op eigen initiatief de vergunning wijzigen. Voorschriften opnemen vanwege BBT is mogelijk (door artikel 2 lid 2 Wgv) voor geur van landbouwhuisdieren uit dierenverblijven. Uiteraard is een deugdelijke motivatie nodig.

Actualiseringsplicht

Het bevoegd gezag heeft een actualiseringsplicht (artikel 2.31, eerste lid onder b jo. artikel 2.30, eerste lid, eerste volzin Wabo). Actualiseren is nodig bij:

  • ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of
  • ontwikkelingen  van de kwaliteit van het milieu.

Kijk daarbij naar ontwikkelingen sinds het moment van vergunningverlening.

Voor IPPC-bedrijven geldt een extra verplichting voor het bevoegd gezag. U moet binnen vier jaar na publicatie van BBT-conclusies bekijken of het nodig is omgevingsvergunningen van IPPC-bedrijven te actualiseren. Dit volgt uit artikel 2.30 lid 1 Wabo en artikel 5.10 lid 2 Bor.

De Europese Commissie heeft begin 2017 nieuwe BBT-conclusies voor de intensieve gepubliceerd. Dit  is een ontwikkeling op het gebied van de technische mogelijkheden. Deze BBT-conclusies geven dus reden om een vergunning te actualiseren. In de BBT-conclusies staat voor geur:

  • het opstellen van een geurbeheersplan (BBT12)
  • technieken om geuremissies te voorkomen (BBT13)

Het bevoegd gezag kan besluiten om met deze conclusies de omgevingsvergunning milieu te actualiseren. Het verlaten van de grondslag van de aanvraag is daarbij wél toegestaan. Dit volgt uit artikel 2.31a, eerste lid Wabo.

Ambtshalve wijziging in belang van bescherming van het milieu

Het bevoegd gezag kan ambtshalve de omgevingsvergunning milieu wijzigen in het belang van de bescherming van het milieu. Dit staat in artikel 2.31, tweede lid onder b Wabo. De grondslag van de aanvraag mag niet worden verlaten.

Deze bevoegdheid is meer een ad hoc bevoegdheid. Het bevoegd gezag gebruikt die wanneer er een aanvraag van een derde binnenkomt. Of bijvoorbeeld als het bevoegd gezag in de handhaving op iets is gestuit waardoor aanpassing van de vergunning nodig is.

[1] 1 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ1142). Zie ook Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State: 31 maart 2010 (200905180/1/M2), 18 mei 2011 (201005653/1/M2) en 8 februari 2012 (201010565/1/T1/A4).

[2] Zie ook TK 2005/2006, 30.453, nr. 3.