Inleiding

De Handleiding Oplosmiddeleninstallaties licht afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit toe. Afdeling 2.11 stelt eisen aan de emissie van vluchtige organische stoffen (VOS) bij twintig industriële activiteiten met oplosmiddelen (hierna: oplosmiddelenactiviteiten). Deze afdeling is de vrijwel ongewijzigde opvolger van het Oplosmiddelenbesluit. Lees in de Leeswijzer hoe u de handleiding het beste kunt gebruiken.

Voor wie

Afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit stelt voorschriften aan oplosmiddeleninstallaties. Deze afdeling geldt voor alle typen inrichtingen waar één of meer activiteiten met oplosmiddelen plaatsvinden uit bijlage VII van de Richtlijn industriële emissies. Het VOS-verbruik moet in dat geval wel gelijk aan of groter zijn dan de drempel uit deze bijlage. Bij overschrijding van deze drempel is sprake van een oplosmiddeleninstallatie (zie pagina Werkingssfeer).

Voor type B inrichtingen staat bij de activiteiten in hoofdstuk 3 of 4 van het Activiteitenbesluit aangegeven of afdeling 2.11 van toepassing kan zijn. Is afdeling 2.11 daadwerkelijk van toepassing, dan geldt een vrijstelling van de meeste VOS-voorschriften in hoofdstuk 3 of 4 van het Activiteitenbesluit.

Voor vergunningplichtige inrichtingen type C zijn de voorschriften uit afdeling 2.11 ook direct van toepassing. De vergunningverlener regelt dit dus niet in de vergunning. Wel is het aan te raden om in de considerans van de vergunning te vermelden dat afdeling 2.11 geldt.

Beste Beschikbare Technieken (BBT) bij IPPC installaties

Bij een IPPC-installatie moet het bevoegd gezag altijd toetsen of de algemene regels voldoen aan het BBT-niveau. Als dit niet het geval is, dan is de vergunningverlener verplicht bij een IPPC installatie af te wijken van de algemene regels in de wetgeving. Dit staat in artikel 2.22 lid 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De vergunningverlener neemt dan de eisen die volgen uit de BBT bepaling wel op in de vergunning.

Het bedrijf moet wel altijd met een oplosmiddelenboekhouding aantonen dat het aan de eisen van afdeling 2.11 voldoet.

Hoe voldoen

In afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit staan per activiteit eisen waaraan een bedrijf moet voldoen. Een bedrijf kan zelf kiezen hoe het voldoet. Het bedrijf kan VOS-emissies reduceren door het nemen van bronmaatregelen of het toepassen van nageschakelde technieken. In deze handleiding zijn 4 ‘Regimes' gedefinieerd waarmee een bedrijf kan aantonen dat het voldoet.

Een bedrijf dat onder afdeling 2.11 valt, moet met een oplosmiddelenboekhouding aantonen dat het voldoet aan de eisen van afdeling 2.11.

Wanneer voldoen

Zowel nieuwe als bestaande oplosmiddeleninstallaties moeten aan de eisen van afdeling 2.11 voldoen. Het bedrijf toont dit binnen 13 weken na een periode van 12 maanden aan met een oplosmiddelenboekhouding. Wel zijn bepaalde eisen voor bestaande installaties soepeler dan voor nieuwe.

Het Activiteitenbesluit definieert bestaande oplosmiddeleninstallaties als installaties die op 1 april 2002 in werking waren. Dit staat in artikel 2.28 van het Activiteitenbesluit. Een bestaande oplosmiddeleninstallatie kan een verandering ondergaan die leidt tot andere of grote milieugevolgen. In dat geval moet het veranderde of nieuwe deel van de oplosmiddeleninstallatie voldoen aan de eisen voor nieuwe oplosmiddeleninstallaties.

Er is sprake van andere of grote milieugevolgen als door de verandering

  • een melding (artikel 1.10 Activiteitenbesluit) vereist is voor inrichtingen type B
  • een veranderingsvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, Wabo) vereist is voor vergunningplichtige inrichtingen

Voldoen met al genomen maatregelen

In veel situaties zal een bedrijf al voldoende maatregelen genomen hebben om te voldoen aan de eisen van afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit. Bijvoorbeeld in het kader van andere milieu- of arbo-regelgeving of in het kader van KWS2000 en of het Nationaal Reductieplan NMVOS (NRP-NMVOS). Het bedrijf hoeft dan alleen een oplosmiddelenboekhouding op te stellen om dat aan te tonen. In de overige gevallen moet een bedrijf maatregelen nemen om aan de eisen van oplosmiddeleninstallaties te voldoen.

Meerdere activiteiten

Bij een bedrijf kunnen meerdere activiteiten met oplosmiddelen plaatsvinden waarvan het verbruik boven de drempelwaarde uit komt. Het uitgangspunt is dan dat iedere oplosmiddelenactiviteit voldoet aan de eisen van afdeling 2.11. Wel mag het bedrijf een eventuele overschrijding van de eisen voor de ene activiteit compenseren wanneer een andere activiteit ruim voldoet aan de emissie-eisen. Dit wordt de ‘compensatieregeling' genoemd. Deze regeling geldt niet voor H-stoffen.

Pagina Oplosmiddelenboekhouding: meerdere activiteiten gaat verder in op de eisen bij meerdere activiteiten met oplosmiddelen.

H-stoffen

Behalve aan de specifieke eisen per activiteit met oplosmiddelen, moet elke installatie voldoen aan de emissie-eisen voor zogenaamde H-stoffen. Het gaat om bepaalde schadelijke stoffen of mengsels die het bedrijf binnen zo kort mogelijke tijd moet vervangen door minder schadelijke stoffen.

De pagina Voldoen aan de eisen voor H-stoffen beschrijft de stoffen en gaat in op de eisen die gelden bij het gebruik van deze stoffen in oplosmiddeleninstallaties.

Autospuiterijen en BOOVV

Het Besluit Organische Oplosmiddelen in Verven en Vernissen (BOOVV) geldt sinds 2007. Daardoor, vallen de meeste autospuiterijen niet meer onder afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit (voorheen Oplosmiddelenbesluit). Autoschadeherstel valt namelijk niet (meer) onder afdeling 2.11, zie vraag en antwoord Autospuiterijen. Afdeling 2.11 kan nog wel van toepassing zijn op autoschadeherstelbedrijven die andere spuitwerkzaamheden uitvoeren. Zie voor meer informatie Vraag en antwoord VOS -regelgeving voor bedrijven die spuitwerkzaamheden uitvoeren.

Implementatie in Nederland

Afdeling 2.11 staat sinds 1 januari 2013 in het Activiteitenbesluit. Deze afdeling is de implementatie van hoofdstuk V van de Richtlijn industriële emissies. Hoofdstuk V van de RIE is de opvolger van de ‘Oplosmiddelenrichtlijn' 99/13/EG. De oplosmiddelenrichtlijn was in Nederland geïmplementeerd via het ‘Oplosmiddelenbesluit'.

Afdeling 2.11 geldt voor alle inrichtingen, al dan niet vergunningplichtig. Wel moet het VOS-verbruik van de oplosmiddeleninstallatie gelijk zijn aan of groter zijn dan de drempelwaarde uit de tabellen 2.28a of 2.28b. De drempelwaarden in de tabellen komen overeen met de gangbare drempelwaarden uit de bijlagen IIA en IIB bij het Oplosmiddelenbesluit.

Relatie afdeling 2.11 en afdeling 2.3

Voorschriften voor oplosmiddeleninstallaties staan in afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit. Afdeling 2.11 gaat enkel over van de emissies van VOS. Emissies van andere stoffen, zeer zorgwekkende stoffen of geur worden niet in afdeling 2.11 behandeld. Daarom gelden artikel 2.5, 2.4 en 2.7a van afdeling 2.3 lucht en geur óók voor een oplosmiddelinstallatie. Dit volgt uit artikel 2.3a lid 6 van het Activiteitenbesluit.


Uw onderwerpen