Bodemsanering en proefbronnering
Handboek water
Inhoud pagina: Bodemsanering en proefbronnering
De activiteit is lozen van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering. Voor alle lozingsroutes, bodem, oppervlaktewater, hemelwaterriool, ontwateringstelsels en vuilwaterriool worden voorschriften gesteld. De activiteit is geregeld in paragraaf 3.1.1 van het Activiteitenbesluit. De voorschriften in het besluit zijn gericht op het beperken van nadelige gevolgen voor het milieu van het vrijkomend grondwater bij reinigen van grond en grondwater. Deze voorschriften zijn slechts van toepassing als er sprake is van een bodem- of grondwatersanering of voorafgaande proefbronnering in de zin van de Wet bodembescherming. Lozen van ander grondwater bij ontwatering valt onder artikel 3.2 Activiteitenbesluit of artikel 3.2 Besluit lozen buiten inrichtingen.
Vindplaats
- § 3.1.1 Activiteitenbesluit (AB): Artikel 3.1.
- Toelichting bij dit artikel in de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit.
- Per 1 januari 2010 heeft de redactie van deze activiteit in het Activiteitenbesluit een kleine wijziging ondergaan, die overigens geen inhoudelijke consequenties heeft. De wijziging, inclusief de toelichting daarbij, volgens Staatsblad 2009, 479.
- Besluit lozen buiten inrichtingen: Artikel 3.1, de artikelgewijze toelichting daarbij.
- De ministeriële Regeling (MR) bij de besluiten kent geen voorschriften voor deze activiteit.
Overgangsrecht
Artikel 6.2 en artikel 6.3 van het Activiteitenbesluit bevat specifieke overgangsregelingen met betrekking tot het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering of proefbronnering.
Met de komst van de Waterwet per 22 december 2010 is het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering of proefbronnering omgehangen van de Wvo naar de Wm. Dit Besluit, na van kracht worden van het Activiteitenbesluit, is uitsluitend van toepassing op het lozen ten gevolge van bodemsaneringen buiten inrichtingen: nadere informatie.
Aanverwante wetgeving
In § 3.1.2 Activiteitenbesluit,artikel 3.2 is het lozen van grondwater ten gevolge van bronnering geregeld.
In de Wet bodembescherming (hoofdstuk IV, § 3) is bepaald wanneer sprake is van een bodemsanering. Proefbronneringen zijn onderdeel van het wettelijke onderzoekstraject om tot een saneringsplan te komen.
Verboden en voorwaarden
Het is verboden dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool (lid 5), tenzij:
- het de proefbronnering betreft (lid 6, onder a);
- of bij maatwerkvoorschrift is toegestaan (lid 6, onder b).
De andere lozingsroutes zijn toegestaan onder de voorwaarden van het besluit. Hiermee wordt invulling gegeven aan de voorkeursvolgorde voor omgang met afvalwater. Het besluit biedt mogelijkheden om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de gestelde emissiegrenswaarden.
Volgens artikel 3.1 lid 2 gelden er strengere eisen bij lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam dan in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
Bij lozen in een hemelwaterriool of ontwateringstelsel dat uitkomt op een niet aangewezen oppervlaktelichaam kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift, volgens artikel 3.1, lid 7, onder b, strengere eisen stellen.
Controle-aspecten
- Wordt er afvalwater van een bodemsanering of proefbronnering geloosd?
- Is er een melding ingediend voor de lozing? (artikel 1.10 en 1.12 Activiteitenbesluit )
- Doelmatige controlevoorziening aanwezig?
- Indien geloosd wordt in het vuilwaterriool. Is dit toegestaan?
- Voldoet de lozing aan de emissiegrenswaarden volgens het besluit?
Opbouw inspectie
- Dossieronderzoek, gegevens bodemsanering of proefbronnering opvragen bij provincie of gemeente
- Toetsen gegevens melding
- Indien er geen melding is gelden de voorschriften ook. Melding moet alsnog worden ingediend
- Betreft het een aangewezen of niet aangewezen oppervlaktewater
- Visuele beoordeling van het geloosde water
Meting en monstername
Er moet sprake zijn van bevoegdheid tot het nemen van monsters. Aanvullend moet monsterneming voldoen aan de NEN 6600-1 (zie artikel 2.3, tweede lid). Toezichthouders zijn meestal wel bevoegd tot het nemen van monsters (Awb) maar moeten ook voldoen aan de NEN 6600-1en de juridische vereisten van monsterneming. Als er op het moment van inspectie niet geloosd wordt is het nemen van een goed en representatief monster niet mogelijk. Vaak zal voor een goede en complete inspectie representatieve monsterneming nodig zijn. Indicatieve monsters zijn ondeugdelijk in verband met de toetsing aan getalsnormen.
Een aantal foto's in verband met bodemsaneringen proefbronnering vindt u hier.
Casus
Een milieu-inspecteur controleert naar aanleiding van een melding een bodemsaneringslocatie waar grondwater wordt geloosd op de (niet in bijlage 2 van de MR genoemde) poldersloot. Er is geen melding gedaan zoals bedoeld in artikel 1.10 en 1.12 AB. Er wordt op dat moment vanuit de sanering, na voorzuivering, geloosd. Er is geen controlevoorziening geplaatst tussen voorzuivering en feitelijk lozingpunt. Het vermoeden bestaat dat er afvalwater wordt geloosd op oppervlaktewater dat bijzondere bescherming behoeft terwijl het mogelijk de norm voor bepaalde parameters (tabel 3.1b) overschrijdt.
Monsterneming is dan nodig voor het toetsen van de doelvoorschriften. Bij overschrijding van de normen uit tabel 3.1b: Overtreding artikel 3.1. Daarnaast is er geen mogelijkheid tot doelmatige bemonstering. Dat levert een overtreding van artikel 3.1 lid 9 op. Ernstig feit: onmiddellijk beëindigen van de lozing.
Lichte overtreding: stellen van een hercontrole termijn (op korte termijn) en in verband met het naleefgedrag een nieuwe controle enige tijd na constatering en hercontrole (dat laatste uiteraard in nauw verband met de duur van de sanering).
