Geurvoorschriften voor de opslag van drijfmest en digestaat

mestopslag bij vergisterIn het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan voorschriften voor de activiteit het opslaan van drijfmest en digestaat.

De voorschriften om geurhinder te voorkomen en te beperken, staan in paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit.

Overzicht voorschriften

Artikel

Inhoud

3.51 Activiteitenbesluit

minimumafstanden tot een geurgevoelig object en mogelijkheid voor maatwerkvoorschriften

Het Activiteitenbesluit is een aantal keer gewijzigd met gevolgen voor landbouw.

Minimumafstanden

Voor mestkelders (dat zijn ondergrondse bassins die zijn gelegen onder een (voormalig) dierenverblijf) gelden géén afstandseisen tot geurgevoelige objecten (artikel 3.51 lid 11 Activiteitenbesluit). De reden dat er geen minimumafstanden gelden voor mestkelders, is dat de beoordeling voor geur via het houden van de landbouwhuisdieren dieren gaat.

Voor de overige mestbassins gelden wel minimumafstanden tot geurgevoelige objecten (artikel 3.51 lid 1-3 Activiteitenbesluit), namelijk:

Minimumafstanden
Soort geurgevoelig object Oppervlak tot 350 m2 Oppervlak vanaf 350 m2
geurgevoelig object bij een andere veehouderij 25 meter 50 meter
andere geurgevoelige objecten 50 meter 100 meter
(!) bij meer dan 750 m2 is paragraaf 3.4.6 niet van toepassing


De minimumafstanden gelden dus ook voor ondergrondse mestbassins die niet onder een (voormalige) stal liggen.

Bij meer dan één mestbassin gaat het bij het oppervlak (tot 350 m2 / 350 m2 en meer) om het gezamenlijk oppervlak van de mestbassins: bij elkaar opgeteld.

Kortere afstanden voor bestaande situaties

De minimumafstanden gelden niet voor bestaande mestbassins (= opgericht vóór 1 januari 2013), die op een kortere afstand liggen. Voorwaarde is wel dat die kortere afstand toegestaan was in een voormalige agrarische AMvB of in de vergunning (artikel 3.51 lid 4 Activiteitenbesluit), én bovendien:

  1. mag de afstand niet verder afnemen, en
  2. is verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet mogelijk

Bovendien moet de agrariër maatregelen treffen om geurhinder te voorkomen of te beperken. Als het bevoegd gezag hierom vraagt, moet hij aangeven welke maatregelen of voorzieningen dit (zullen) zijn. Dit volgt uit artikel 3.51 lid 5 Activiteitenbesluit.

Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan in maatwerkvoorschriften aanvullende eisen stellen als sprake is van onaanvaardbare geurhinder (artikel 3.51 lid 12 Activiteitenbesluit). Dit kan ook voor mestkelders. Bij besluitvorming hierover betrekt het bevoegd gezag de geuraspecten uit artikel 2.7a lid 3 van het Activiteitenbesluit. Meer informatie hierover staat op de webpagina Aspecten bij afweging aanvaardbaar hinderniveau van de Handleiding geur. Maatwerk is alleen mogelijk voor:

  • de plek van het mestbassin
  • het afdekken van het mestbassin
  • de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest en digestaat

Afstandsmeting

U meet de afstand vanaf de buitenzijde van het mestbassin (= de rand van het mestbassin) tot de dichtstbijzijnde gevel van het geurgevoelige object (artikel 3.51 lid 10 Activiteitenbesluit).Mestbassin

Zie ook ABRvS, 201600175/1/A1, 16 november 2016, Noordoostpolder. "Het gaat in dit geval om een met afdichtingsfolie bekleed en als grondput uitgevoerd reservoir, omringd door een aarden wal. De aarden wal loopt schuin af en dient als versteviging van de grondput. Als onweersproken staat vast dat de grondput, waarin de mest zich bevindt, vier opstaande zijden heeft die zijn bekleed met afdichtingsfolie. Er vindt geen opslag van mest plaats onder het schuin aflopend talud van de aarden wal. De geuremissie vindt niet plaats bij de teen van de aarden wal maar bij de daadwerkelijke opslag van de mest. Gelet op het vorenstaande moet in dit geval de met afdichtingsfolie beklede opstaande zijde van de aarden wal, zijnde de begrenzing van het reservoir, als buitenzijde van het mestbassin als bedoeld in artikel 3.51, tiende lid, worden aangemerkt. '


Uw onderwerpen