Bodemvoorschriften voor het opslaan van drijfmest en digestaat

MestbassinIn het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan voorschriften voor het opslaan van drijfmest en digestaat in mestbassins.

De voorschriften om de bodem te beschermen staan in paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit en in paragraaf 3.4.6 van de Activiteitenregeling.

Overzicht voorschriften
Artikel Inhoud
Activiteitenbesluit
3.52 basis voor bodemvoorschriften in Activiteitenregeling
Activiteitenregeling
3.66 reikwijdte paragraaf en bodemonderzoek niet verplicht
3.68 voldoen aan eisen uit BRL 2342, visuele inspectie en - voor bovengrondse bassins- kwaliteitsverklaring nodig
3.69 keuring na afloop referentieperiode
3.70 lekbak onder vul- en zuigpunt
6.5g overgangsrecht voor bestaande mestbassins
6.5h overgangsrecht voor bestaande mestbassins

Het Activiteitenbesluit is een aantal keer gewijzigd met gevolgen voor landbouw.

Technische eisen (BRL 2342)

Nieuwe mestbassins (opgericht na 1 januari 2013) moeten voldoen aan eisen voor mestdichtheid van BRL 2342 (namelijk paragraaf 5.5 en hoofdstuk 6 en 7). Dat geldt voor nieuwe bovengrondse mestbassins en vanaf 1 maart 2014 ook voor nieuwe ondergrondse mestbassins (mestkelders) (artikel 3.68 lid 1 Activiteitenregeling).

Voor bovengrondse mestbassins moet de veehouder een kwaliteitsverklaring hebben (in de vorm van een procescertificaat) van een instelling, die door de Raad van Accreditatie is geaccrediteerd op basis van BRL 2342. Bij aanschaf van een mestbassin geeft de leverancier een kwaliteitsverklaring aan de veehouder, waaruit blijkt dat het mestbassin aan BRL 2342 voldoet. Voor ondergrondse mestbassins is geen kwaliteitsverklaring nodig (artikel 3.68 lid 2 Activiteitenregeling). De BRL 2342 is geactualiseerd en in mei 2017 gepubliceerd - artikel 1.2 Activiteitenregeling verwijst vanaf 1 oktober 2017 naar deze aangepaste versie.

Overgangsrecht

Bestaande mestbassins - opgericht vóór 1 januari 2013 - moeten blijven voldoen aan de technische eisen van de vergunning of het Besluit akkerbouw, het Besluit mestbassins, het Besluit landbouw of het Besluit melkrundvee. Het gaat om de eisen die op het moment van oprichten van toepassing waren (lid 1 van artikel 6.5g Activiteitenregeling). De agrariër moet dit kunnen aantonen met een verklaring van de installateur (lid 2 van artikel 6.5g Activiteitenregeling). Als daar geen referentieperiode in staat, voorziet de wetgeving daarin (lid 3 van artikel 6.5g Activiteitenregeling).

Keuring na afloop referentieperiode: BRL 2344

Ondergrondse mestbassins (zoals mestkelders) hoeven niet te worden gekeurd (artikel 3.69 lid 1 en 8 Activiteitenregeling). Voor de overige mestbassins is wél een keuring nodig (artikel 3.69 lid 1 tot en met 7 Activiteitenregeling). Alleen bedrijven met een erkenning onder het Besluit bodemkwaliteit met het normdocument BRL 2344, mogen de keuring uitvoeren. Er is een lijst met erkende bedrijven (zoek bij normdocument op 2344).

Deze verplichte keuring door een erkend bedrijf (via BRL 2344) geldt voor nieuwe én bestaande mestbassins. Het maakt voor de keuring dus niet uit, wanneer het bassin is opgericht.

De veehouder moet het mestbassin laten keuren, vóórdat de referentieperiode afloopt. De referentieperiode staat op de kwaliteitsverklaring. Als er geen referentieperiode is vermeldt (artikel 3.98 lid 6 Activiteitenregeling) of er is geen kwaliteitsverklaring aanwezig (artikel 3.69 lid 9 Activiteitenregeling), dan moet de veehouder het mestbassin en de afdekking laten keuren na de volgende termijnen:

  • 20 jaar voor een houten, betonnen of gemetseld mestbassin en betonnen afdekking
  • 10 jaar voor een metalen mestbassin en afdekking
  • 5 jaar voor een mestzak of een foliebassin
  • 5 jaar voor de taludbescherming van een foliebassin
  • 10 jaar voor overige typen mestbassins en afdekkingen.

Deze termijnen gaan lopen vanaf het moment van aanleg van het mestbassin.

De keuring bestaat uit een beoordeling van de kwaliteit van een mestbassin en de afdekking. Dit om vast te stellen of een nieuwe periode van gebruik mogelijk is. De uitkomst van de keuring kan zijn:

  • Goedkeuring: dan komt er een nieuwe referentieperiode
  • Goedkeuring onder voorwaarden: het mestbassin moet binnen een bepaalde termijn voldoen
  • Afkeuring met reparatie: als gebruik na reparatie nog mogelijk is, moet de veehouder het mestbassin binnen de termijn laten repareren en daarna opnieuw laten keuren
  • Afkeuring: de veehouder moet het mestbassin direct legen en moet de afkeuring melden bij het bevoegd gezag.

Lekbak plaatsen vul- en zuigpunt

Voor alle mestbassins geldt de verplichting om een lekbak te plaatsen onder het vul- en zuigpunt (artikel 3.70 Activiteitenregeling). Dit om bij het vullen en het leegzuigen van een mestbassin bodemverontreiniging te voorkomen. De wetgever heeft geen eis gesteld aan de grootte (inhoud) van de lekbak. Uit de definitie van lekbak kun je opmaken dat deze geschikt moet zijn om gemorste of wegspattende mest op te kunnen vangen. In de Bouwtechnische richtlijnen staat een inhoud van ten minste 125 liter.

Visuele inspectie

Voor alle mestbassins geldt dat de veehouder om het mestbassin en de afdekking regelmatig goed bekijkt. Gebreken moet hij direct (laten) verhelpen (artikel 3.68 lid 3 Activiteitenregeling). Metalen silo's kunnen roesten, vooral inwendig. Op de plaats waar een mestzak in een metalen mestsilo de wanden raakt, treedt versneld roestvorming op. Ook het afdekken kan leiden tot versnelde roestvorming. Daarnaast kunnen spanbanden beschadigd raken, bijvoorbeeld door aanrijding, met roest als gevolg. Betonnen silo´s kunnen scheuren. Als de scheur groter is dan 0,1 mm, kan de wapening door invreten van gassen en mest gaan roesten. Houten silo's kunnen krimpen of uitzetten, vooral in het begin. Het kan nodig zijn de spanbanden bij te stellen. Ook zijn de houtelementen een aandachtspunt. Bij foliebassins, mestzakken en binnenafdichtingen is de kwaliteit van de folie belangrijk: verkleuring, dikte, ontluchting, trekkracht, lasverbinding en dergelijke.

Geen bodemonderzoek nodig

Hoewel bodembeschermende voorzieningen nodig zijn, is voor mestbassins een uitzondering gemaakt voor het uitvoeren van een bodemonderzoek. Dit is niet noodzakelijk (artikel 3.66 lid 3 Activiteitenregeling).