Overzicht van BBT-conclusies (en BREFs)

Deze pagina geeft een actueel overzicht van Beste Beschikbare Technieken (BBT)-conclusies. Per IPPC-categorie is aangegeven wat de belangrijkste BBT-conclusies zijn. In de laatste kolom staat aangegeven welke BBT-conclusies daarnaast ook van belang kunnen zijn. De informatie in deze laatste kolom is een indicatieve lijst. De lijst is dus niet uitputtend.

BBT-conclusies en BREF's

De vergunningverlener moet bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu rekening houden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en publiceert deze in het Publicatieblad van de Europese Unie. InfoMil geeft op een aparte webpagina een toelichting op het proces van totstandkoming van de BREF's en BBT-conclusies.

In artikel 1.1 lid 1 van het omgevingsrecht staat de definitie van BBT-conclusies. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie.
  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

BREF als achtergrond bij BBT-conclusies

De rol van BREF's is achtergrondinformatie en verduidelijking voor de BBT-conclusies. Op de website van het EIPPCB bureau staat wanneer dit bureau de start van een herziening van een BREF verwacht.

Referentiedocumenten

Naast BBT documenten zijn er referentiedocumenten. Dit zijn documenten die geen BREF zijn. Referentiedocumenten zijn een referentie voor een horizontale taak of onderwerp in het Sevilla proces. Er zijn twee referentiedocumenten:

Categorieën van bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies

Op een IPPC-installatie kunnen meerdere categorieën van bijlage 1 van toepassing zijn. De categorieën bestaan uit 6 hoofdgroepen:

  1. energie industrie
  2. productie en verwerking van metalen
  3. mineralen industrie
  4. chemische industrie
  5. afvalbeheer en
  6. overige activiteiten (papier, pulp, karton, textiel, slachthuizen, levensmiddelen, verwerking melk, destructie van kadavers, intensieve veehouderij, oppervlaktebehandeling)
BREFs en BBT-conclusies overzicht

Categorie in bijlage 1 Richtlijn industriële emissies

Belangrijkste BBT-conclusies/ BREF

Ook van belang zijnde BBT-conclusies/ BREFs

1. Energie industrieën

1.1 Het stoken in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50MW of meer.

1.2 Het raffineren van aardolie en gas.

1.3 De productie van cokes.

1.4 Het vergassen of vloeibaar maken van:

  1. steenkool
  2. andere brandstoffen in installaties met een totaal thermisch vermogen van 20 MW of meer

2. Productie en verwerking van metalen

2.1 Het roosteren of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts.

2.2 De productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) met inbegrip van continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur.

2.3a De verwerking van ferro metalen door warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur.

2.3b De verwerking van ferro metalen door smeden met hamers met een slagarbeid van meer dan 50 kilojoule per hamer, wanneer een thermisch vermogen van meer dan 20 MW wordt gebruikt.

2.3c De verwerking van ferro metalen door het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, met een verwerkingscapaciteit van meer dan 2 ton ruwstaal per uur.

2.4 Het smelten van ferrometalen met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

2.5 De verwerking van non-ferrometalen:

  1. de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés;
  2. het smelten, met inbegrip van het legeren van non-ferrometalen inclusief terugwinningsproducten en het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit van meer dan 4 ton per dag voor lood en cadmium of 20 ton per dag voor alle andere metalen.

2.6 Oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt.

3. Minerale industrie

3.1 De productie van cement, ongebluste kalk en magnesiumoxide:

  1. productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag, of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag
  2. productie van ongebluste kalk in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag
  3. productie van magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag

3.2 De winning van asbest of de fabricage van asbestproducten.

Geen BREF beschikbaar. Fabricage van asbest en asbestproducten is verboden binnen Nederland en de rest van de EU.

3.3 De fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

3.4 Het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van de fabricage van mineraalvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

3.5 Het fabriceren van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag en/of met een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.

4. Chemische industrie

Voor de doeleinden van dit deel wordt onder fabricage in de zin van de categorieën activiteiten in dit deel verstaan de fabricage van de in 4.1 tot en met 4.6 genoemde stoffen of groepen stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.

Zie ook vraag en antwoord: 'Wat bedoelt de Rie met 'fabricage op industriële schaal'

4.1 De fabricage van organisch-chemische producten, zoals:

  1. eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische),
  2. zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters, acetaten, ethers, peroxyden en epoxyharsen,
  3. zwavelhoudende koolwaterstoffen,
  4. stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten,
  5. fosforhoudende koolwaterstoffen,
  6. halogeenhoudende koolwaterstoffen.

4.1 g De fabricage van organisch-chemische producten, zoals organometaalverbindingen.

4.1 h De fabricage van organisch-chemische producten, zoals kunststof-materialen (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels).

4.1 i De fabricage van organisch-chemische producten, zoals synthetische rubber.

4.1 j De fabricage van organisch-chemische producten, zoals kleurstoffen en pigmenten.

4.1 k De fabricage van organisch-chemische producten, zoals tensioactieve stoffen en tensiden.

4.2 a De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonyldichloride.

4.2 b De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur.

4.2 c De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide.

4.2 d/e De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals

  • zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat;
  • niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium en siliciumcarbide.

4.3 De fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen).

4.4. De fabricage van producten voor gewasbescherming of van biociden.

4.5 De fabricage van farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten.

4.6 De fabricage van explosieven.

5. Afvalbeheer

5.1 De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten:

  1. biologische behandeling;
  2. fysisch-chemische behandeling;
  3. mengen of vermengen voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen;
  4. herverpakking voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen;
  5. terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen;
  6. recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of metaalverbindingen;
  7. regeneratie van zuren of basen;
  8. terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;
  9. terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;
  10. herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;
  11. opslag in waterbekkens.

Zie toelichtingen in vergelijkingstabel bijlagen I Richtlijn Industriële Emissies en IPPC-richtlijn.

Voor storten zie onder 5.4

5.2 De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:
  1. ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur;
  2. gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag.

5.3 a De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 over de behandeling van stedelijk afvalwater:

  1. biologische behandeling;
  2. fysisch-chemische behandeling;
  3. voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
  4. behandeling van slakken en as;
  5. behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.

5.3 b Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG over de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:

  1. biologische behandeling;
  2. voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
  3. behandeling van slakken en as;
  4. behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.

Als de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de capaciteitsdrempel-waarde voor deze activiteit 100 ton per dag.

BBT-conclusies afvalbehandeling

5.4 Stortplaatsen, als gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 over het storten van afvalstoffen, die meer dan 10 ton afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25 000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

Geen BREF beschikbaar

De eisen aan stortplaatsen volgens de Richtlijn 1999/31/EG over het storten van afvalstoffen kunnen als BBT beschouwd worden.

5.5. Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie.

Ook opslag van gevaarlijke afvalstoffen voor handelingen met nuttige toepassing in eerdere genoemde categorieën valt onder de richtlijn.

5.6. Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 ton.

6. Andere activiteiten

6.1 De fabricage, in industriële installaties van:

  1. papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen,
  2. papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag,
  3. een of meer van de volgende platen en panelen van hout: oriented strand board (OSB), spaanplaat of vezelplaat met een productiecapaciteit van meer dan 600 m3 per dag.

6.2 De voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van textiel vezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

6.3 Het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten per dag.

6.4 a De exploitatie van slachthuizen met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag geslachte dieren.

6.4 b De bewerking en verwerking behalve het uitsluitend verpakken, van de volgende grondstoffen, al dan niet eerder bewerkt of onbewerkt, voor de fabricage van levensmiddelen of voeder van

  1. uitsluitend dierlijke grondstoffen (andere dan uitsluitend melk) met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag eindproducten
  2. uitsluitend plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan 300 ton per dag eindproducten of 600 ton per dag eindproducten als de installatie gedurende een periode van niet meer dan 90 opeenvolgende dagen in om het even welk jaar in bedrijf is
  3. dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als in afzonderlijke producten, met een productiecapaciteit in ton per dag van meer dan:
    - 75 als A gelijk is aan of hoger dan 10, of
    - [300- (22,5 × A)] in alle andere gevallen,
    waarin "A" het aandeel dierlijk materiaal is (in gewichtspercentage) van de productiecapaciteit in eindproducten.

De verpakking is niet inbegrepen in het eindgewicht van het product.

Deze onderafdeling is niet van toepassing wanneer de grondstof uitsluitend melk is.

Ook de fabricage van diervoeder valt onder de richtlijn.

6.4 c De bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).

6.5. De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

Zie ook Vraag en antwoord Wat is dierlijk afval?

6.6 Intensieve pluimvee- of varkenshouderij:

  1. met meer dan 40 000 plaatsen voor pluimvee
  2. met meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of
  3. met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

6.7 De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer dan 200 ton per jaar.

6.8 De fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of grafitisering.

6.9 Het afvangen van CO2-stromen van onder deze richtlijn vallende installaties voor geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG. Deze installaties zijn op basis richtlijn 2009/31/EG, artikel 37 aan bijlage 1 IPPC-richtlijn toegevoegd.
6.10 De conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken.
6.11 Een niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG vallende zelfstandig geëxploiteerde behandeling van afvalwater dat door een onder hoofdstuk II vallende installatie is geloosd.

Dit zijn alleenstaande afvalwaterzuiveringsinstallaties die niet vallen onder 91/271/EG. Aanvoer van het bedrijfsafvalwater kan plaatsvinden via een rioolstelsel. Het afvalwater is afkomstig van een IPPC-installatie.