Samenvatting branche informatie metaalrecycling

Sinds 1 januari 2011 vallen de meeste metaalrecyclingbedrijven onder het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. In de meeste gevallen hebben deze bedrijven geen omgevingsvergunning milieu nodig. Wel kan een watervergunning nodig zijn. Dit is afhankelijk van de activiteit.

Welke bedrijven

Onder deze branche vallen bedrijven die metaalafval innemen, opslaan en bewerken om geschikt te maken voor recycling. Deze bedrijven houden zich voornamelijk bezig met ijzer, roestvrij staal, aluminium en overige non-ferrometalen, kabels en accu’s.

Welke activiteiten

De hoofdactiviteit van deze bedrijven is het opslaan en bewerken van metaal. Het bewerken kan bijvoorbeeld bestaan uit het scheiden, strippen, verkleinen (zoals knippen, snijden, shredderen of scheuren) of verdichten van het metaal. Ook het schoonbranden van metalen (zoals spoelen uit een elektromotor) is een activiteit die voorkomt binnen de branche.

Verder komen de volgende activiteiten voor: het onderhouden en repareren van motorvoertuigen of onderdelen daarvan, het uitwendig wassen van motorvoertuigen en het afleveren van diesel. Ook vindt opslag van diverse stoffen plaats.

Welke milieuthema's

Belangrijke milieuthema's voor deze branche zijn afval, lucht, bodem, geluid, lozingen en externe veiligheid. Voor lucht, bodem, externe veiligheid en lozingen zijn er specifieke voorschriften per activiteit.

Melding, OBM en vergunning

Melding

Bij het starten of veranderen van activiteiten moeten bedrijven dit melden bij het bevoegd gezag. Bij verandering is een melding alleen nodig als een afwijking ontstaat van eerder verstrekte gegevens. Met de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) kan een bedrijf de melding doen. Een melding Activiteitenbesluit moet een aantal algemene gegevens bevatten.

Daarnaast zijn er voor een metaalrecyclingbedrijf specifieke meldingseisen, zoals gegevens over afvalstoffen en een bodemonderzoek. Ook is een akoestisch onderzoek nodig als in de buitenlucht overslag van metalen in bulk plaatsvindt of als in de buitenlucht mechanische bewerking van metalen plaatsvindt.

Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM)

In de meeste gevallen hebben metaalrecyclingbedrijven geen omgevingsvergunning milieu nodig. Wel is nog een toestemming van het bevoegd gezag nodig voordat met het opslaan van schroot mag worden gestart. Deze toestemming heet de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). De OBM is verplicht volgens het Besluit omgevingsrecht. Deze OBM is ook nodig bij wijziging of uitbreiding van het bedrijf.

In de procedure voor de OBM toetst het bevoegd gezag of een milieueffectrapport (MER) nodig is. Als uit de beoordeling volgt dit het geval is, dan moet het bevoegd gezag de OBM voor het opslaan van schroot weigeren. Het bedrijf moet dan eerst een milieueffectrapport opstellen. Voor de activiteit is dan automatisch een omgevingsvergunning milieu nodig.

Het bevoegd gezag kán de OBM voor het opslaan van schroot ook weigeren vanwege de integriteitsbeoordeling (Wet Bibob).

Wanneer een omgevingsvergunning milieu nodig

Voor veel activiteiten die plaatsvinden binnen metaalrecyclingbedrijven is geen omgevingsvergunning milieu nodig. Er is wel een omgevingsvergunning milieu nodig voor bijvoorbeeld:

  • het opslaan en verdichten van metaal, waarbij geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, met een capaciteit voor het opslaan van meer dan 50.000 ton
  • het verdichten en verkleinen van metaal, waarbij sprake is van gevaarlijke afvalstoffen
  • het opslaan van metalen met aanhangende olie of emulsie en het afscheiden van de oliefractie met een opslagcapaciteit van meer dan 50 ton voor de afgescheiden oliefractie
  • het opslaan van meer dan 10 ton sier- of gebruiksvoorwerpen (anders dan batterijen, spaarlampen en gasontladingslampen en loodzuuraccu’s) waarbij sprake is van gevaarlijke afvalstoffen
  • het opslaan van meer dan 10 ton lege, ongereinigde verpakkingen van verf, lijm, kit of hars en van overige gevaarlijke afvalstoffen
  • het opslaan van meer dan 30 ton loodzuuraccu’s
  • het opslaan van meer dan 5 m3 batterijen
  • het opslaan van meer dan 5 m3 spaarlampen en gasontladingslampen
  • het opslaan van kabels, waarbij geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, met oppervlaktecapaciteit meer dan 6.000 m2
  • het strippen van kabels, waarbij sprake is van gevaarlijke afvalstoffen
  • het strippen van kabels, waarbij geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag
  • het shredderen van metalen, waarbij sprake is van gevaarlijke afvalstoffen
  • het shredderen van metalen, waarbij geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag. Bij aanwezigheid van dergelijke grote shredderinstallaties kan er ook sprake zijn van een IPPC-installatie.

IPPC-installatie

Shredderinstallaties zijn IPPC-installaties als ze zijn bestemd voor:

  • de verwijdering van metaalafval met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag;
  • de nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering van metaalafval met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag.

Onder metaalafval vallen ook autowrakken en de (metalen) onderdelen daarvan.

Ook voor andere activiteiten kan een omgevingsvergunning milieu nodig zijn. De AIM geeft aan of er activiteiten plaatsvinden waarvoor een omgevingsvergunning milieu nodig is.

Wanneer een watervergunning nodig

Bedrijven binnen de branche hebben soms een watervergunning nodig als zij lozen op het oppervlaktewater. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het lozen van afvalwater van:

  • het afleveren van vloeibare brandstoffen
  • het bewerken van metalen (zoals knippen, persen, snijden, shredderen)
  • het opslaan van goederen waaruit bodembedreigende stoffen kunnen lekken
  • het opslaan van goederen waaruit bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen en de lozing plaatsvindt op een kwetsbaar oppervlaktewater

  • het uitwendig wassen van motorvoertuigen

Activiteiten en maatregelen

Per activiteit zijn voorschriften in het Activiteitenbesluit en maatregelen in de Activiteitenregeling opgenomen. De website van InfoMil geeft uitgebreide informatie over de voorschriften en maatregelen voor de verschillende activiteiten.

De voorschriften en maatregelen voor de kenmerkende activiteiten binnen de branche staan hieronder kort toegelicht.

Knippen, snijden, strippen, verkleinen, shredderen van metaal

Shredderen is een droogverspanende bewerking. Het knippen en snijden zijn spaanloze bewerkingen van metaal. Ook het strippen en verkleinen van kabels zijn spaanloze bewerkingen. Het snijden van schroot is een thermische bewerking. Voor deze activiteiten gelden emissie-eisen en als sprake is van bodembedreigende vloeistoffen, zoals aanhangende olie, zijn bodembeschermende voorzieningen noodzakelijk.

Werkzaamheden inpandig of uitpandig

Om overlast van stofdeeltjes naar de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen, moet het bedrijf bewerkingen van metalen inpandig uitvoeren. Alleen als het onmogelijk is deze activiteiten inpandig uit te voeren vanwege het volume of het gewicht van het te bewerken object, is het verbod om buiten te bewerken niet van toepassing. Metaal wordt vaak buiten in stukken gesneden, waarna de verdere bewerking binnen kan plaatsvinden. Het mechanisch verkleinen van schroot met knip- of breekinstallaties kan dus soms ook in de open lucht plaatsvinden. Bij activiteiten in de buitenlucht is de emissieconcentratie-eis niet van toepassing, maar moet het bedrijf stofarme technieken toepassen. Als dat niet mogelijk is, moet het bedrijf een doelmatige omkapping plaatsen.

Bronafzuiging

Bedrijven moeten maatregelen treffen om diffuse emissies te beperken en om te voldoen aan de emissie-eisen. Het bedrijf moet stof en gassen, die vrijkomen bij de activiteit, doelmatig aan de bron afzuigen. Dit kan werkplekafzuiging zijn of afzuiging van een afgesloten ruimte waar de werkzaamheden plaatsvinden.

De afvoer van de afgezogen stof en gassen naar de buitenlucht moet bovendaks en omhooggericht plaatsvinden. Hiervan kan het bedrijf alleen afwijken als binnen 50 meter geen gevoelige gebouwen zijn gelegen. Ook op een gezoneerd industrieterrein en een bedrijventerrein met minder dan 1 gevoelig gebouw per hectare is bovendakse afvoer niet verplicht.

Emissie-eisen en filter

Het bedrijf voldoet aan de emissie-eis voor stof als de afgezogen stof en gassen door een doelmatig werkend filter worden geleid. Een filter werkt doelmatig als het goed gedimensioneerd en in goede staat van onderhoud is. Ook moet het bedrijf het filter periodiek controleren en zo vaak als nodig is schoonmaken en vervangen.

Voldoet het bedrijf op een andere manier aan de emissie-eis? Dan kan het bevoegd gezag eenmalig een meting eisen waarmee het bedrijf aantoont dat het aan de eisen voldoet.

Bij het bewerken van roestvaststaal komt chroom IV vrij en is er een emissie eis. Daarnaast is er bij het snijden van koper een emissie-eis voor koper. Het bedrijf voldoet aan deze emissie-eisen als de afgezogen stof en gassen door een voor die stoffen doelmatig werkend filter worden geleid.

Bodembeschermende voorziening

In twee gevallen moet het bewerken van metaal plaatsvinden boven een bodembeschermende voorziening:

  • als het bedrijf bodembedreigende stoffen gebruikt, of
  • als gebruik wordt gemaakt van een installatie met een oliecircuit bij het mechanisch verkleinen van metaal

Verdichten van metaal

Het verdichten van metalen is een handeling waarbij het volume afneemt maar het gewicht gelijk blijft. Dit is toegestaan als het geen gevaarlijke afvalstoffen zijn en het verdichten geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling.

Schoonbranden van metalen

Het schoonbranden van loodgeïsoleerde kabels, oliegekoelde transformatoren, metaaloppervlakken die verontreinigd zijn met polyvinylchloride of andere halogeenverbindingen, is verboden omdat dit leidt tot ongewenste emissies.

Bodembeschermende voorziening

Schoonbranden van metalen dat niet onder dit verbod valt, vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding, lekbak of vloeistofkerende vloer.

Emissie-eisen

Verder gelden emissie-eisen voor stofklasse S, gasvormige anorganische chloriden en totaal van koolwaterstoffen. Per type schoonbrandoven gelden diverse erkende maatregelen om aan deze emissie-eisen te voldoen.

Onderhouden en repareren van motorvoertuigen of onderdelen daarvan

Bodembeschermende voorziening

Het onderhouden en repareren van motorvoertuigen of onderdelen daarvan, waarbij vloeistoffen kunnen vrijkomen, moet plaatsvinden boven een bodembeschermende voorziening.

Olieafscheider en slibvangput

Voor het lozen van afvalwater afkomstig van de activiteit geldt een norm van 20 milligram olie per liter en 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. Wanneer niet met preventieve maatregelen kan worden voorkomen dat olie in het afvalwater terecht komt, kan een olieafscheider en slibvangput geplaatst worden. Deze moeten voldoen aan NEN-EN 858. Als het afvalwater wordt geleid door een olieafscheider dan geldt niet de norm van 20 milligram olie per liter, maar van 200 milligram per liter. Het afvalwater moet altijd bemonsterd kunnen worden.

Uitwendig wassen van motorvoertuigen

Bodembeschermende voorziening

Het wassen van motorvoertuigen vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

Als er maximaal één motorvoertuig per week wordt gewassen, is er geen bodembeschermende voorziening (ook geen vloeistofkerende vloer) verplicht.

Olieafscheider en slibvangput

Slibvangput en olieafscheider (de fragmentlink zelf wordt niet getoond)

Mobiele wasinstallatie

Bij gebruik van een mobiele wasinstallatie moet het bedrijf de vloeistoffen opvangen en op een juiste manier afvoeren. Dit kan via een goed functionerende slibvangput en olieafscheider op het vuilwaterriool of als oliehoudende afvalstroom naar een erkende verwerker. Een mobiele wasinstallatie mag maximaal zes maanden op dezelfde plek staan.

Opslaan accu’s

Bodembeschermende voorziening

Het bedrijf moet gebruikte accu’s rechtop boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven een lekbak opslaan.

Opslaan van bodembedreigende en/of gevaarlijke (vloei)stoffen in verpakking

Bodembeschermende voorziening bij vloeistoffen

Een voorbeeld van een bodembedreigende, niet gevaarlijke vloeistof is (afgetapte) afgewerkte olie.

Bodembedreigende vloeistoffen in verpakking kan een bedrijf op twee manieren opslaan:

  • in een deugdelijke gesloten verpakking opslaan boven een vloeistofkerende vloer, een lekbak of een vloeistofdichte vloer. Een deugdelijke gesloten verpakking is bijvoorbeeld een verpakking die voldoet aan de eisen van de ADR.
  • in een open verpakking of een niet deugdelijk gesloten verpakking, moet boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer.

Bodembeschermende voorziening vaste stoffen

Opslag van bodembedreigende vaste stoffen in verpakking vindt plaats boven een vloeistofkerende vloer, een lekbak of een vloeistofdichte vloer.

Gevaarlijke stoffen

In de branche gebruikte gevaarlijke stoffen zijn bijvoorbeeld verf, lijm, kit of hars.

De opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking moet vanaf bepaalde hoeveelheden (meestal vanaf 25 of 50 liter) voldoen aan bepaalde voorschriften uit de PGS 15.

Een belangrijke eis uit de PGS 15 is dat de opslagvoorziening moet zijn uitgevoerd als een brandcompartiment (WBDBO van ten minste 60 minuten). Diesel in verpakking met een vlampunt tussen de 60 en 100 graden Celsius hoeft niet opgeslagen te worden volgens PGS 15.

Voor opslag van brandbare gevaarlijke stoffen in verpakking van meer dan 2.500 kilogram en minder dan 10.000 kilogram geldt een veiligheidsafstand (tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden) van ten minste 20 meter.

Deze afstand mag ten minste 8 meter zijn als de opslagvoorziening een WBDBO heeft van ten minste 60 minuten. Ook mag de afstand ten minste 8 meter zijn als er tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang is. Zoals een brandmuur met een WBDBO van 60 minuten en een hoogte en lengte van twee meter aan weerszijden van de opslagvoorziening.

WBDBO

WBDBO staat voor Weerstand tegen Brand-Doorslag en Brand-Overslag. De WBDBO is samengesteld uit drie deelaspecten: vlamdichtheid, stabiliteit en thermische isolatie. NEN 6069 geeft voor elk van deze aspecten de criteria aan, welke overeenkomen met een bepaalde WBDBO.

Opslaan gasflessen

De opslag van gasflessen met een waterinhoud van in totaal meer dan 125 liter moet voldoen aan bepaalde voorschriften uit PGS 15. Een belangrijke eis uit PGS 15 is dat de opslagvoorziening moet zijn uitgevoerd als een brandcompartiment (WBDBO van ten minste 60 minuten).

Hieraan kan het bedrijf voldoen door het toepassen van brandwerendheid, voldoende afstand (tot gebouwen en erfgrens) of een combinatie hiervan.

Gedemonteerde LPG-tanks worden ook gezien als gasflessen.

Opslaan van vloeistoffen in bovengrondse tanks

Diesel, afgewerkte olie, smeerolie of andere bodembedreigende vloeistoffen

Een opslagtank voor afgewerkte olie, smeerolie of andere bodembedreigende vloeistoffen moet boven een lekbak zijn geplaatst of dubbelwandig met lekdetectie zijn uitgevoerd. Het bedrijf moet een lekdetectiesysteem jaarlijks laten keuren.

De opslagtank en de vulleiding moeten zijn voorzien van een overvulbeveiliging. De vulpunten en aftappunten van de tank moeten boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven een lekbak of vulpunt morsbak zijn geplaatst.

Een opslagtank voor afgewerkte olie moet het bedrijf minimaal 1 keer per jaar laten legen.

Installatie, onderhoud, keuring en verwijdering dieseltanks (PGS 30)

De opslag van diesel in bovengrondse tanks moet in aanvulling op de eisen uit het Activiteitenbesluit zelf, ook voldoen aan bepaalde eisen uit PGS 30. Voor de locatie van dieseltanks gelden minimale afstanden tot de erfafscheiding en andere objecten binnen het bedrijf.

Het bedrijf moet deze tanks laten installeren en onderhouden door een gecertificeerd bedrijf. Voor elke tank moet het bedrijf een installatiecertificaat kunnen tonen dat is afgegeven door een gecertificeerd bedrijf. Elke 15 jaar moet het bedrijf de tanks laten beoordelen en keuren door een gecertificeerd bedrijf.

Oude dieseltanks mogen alleen verwijderd worden door een gecertificeerd bedrijf. Het bedrijf moet dit kunnen aantonen met een saneringscertificaat dat is afgegeven door een gecertificeerd bedrijf.

Opslaan van diesel en afgewerkte olie in ondergrondse tanks

Installatie diesel- en afgewerkte olietanks

Installatie diesel-, benzine- en afgewerkte olietanks
Het bedrijf moet een ondergrondse tanks voor de opslag van diesel, benzine en afgewerkte olie laten installeren door een gecertificeerd bedrijf. Voor elke tank moet het bedrijf een installatiecertificaat kunnen tonen dat is afgegeven door een gecertificeerd bedrijf. De vulpunten en aftappunten van de tank moeten boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven een vulpuntmorsbak zijn geplaatst.

Vullen en legen diesel-, benzine- en afgewerkte olietanks
Voor het gebruik van ondergrondse tanks voor de opslag van diesel, benzine of afgewerkte olie gelden bepaalde voorschriften uit PGS 28. Daarnaast moet het bedrijf de goede werking van de tank en de eventueel aanwezige kathodische bescherming periodiek (laten) controleren.  Afhankelijk van de uitvoering van de tank gelden verschillende controlefrequenties.

Een ondergrondse opslagtank voor diesel of benzine moet het bedrijf jaarlijks controleren op de aanwezigheid van water en bezinksel. Een ondergrondse opslagtank voor afgewerkte olie moet het bedrijf minimaal 1 keer per jaar laten legen.

Keuring diesel- en benzinetanks
Het bedrijf moet een ondergrondse tank voor diesel of benzine periodiek laten herkeuren door een gecertificeerd bedrijf. De herkeuringstermijn is afhankelijk van de uitvoering van de tank (staal of kunststof, wel of geen coating, enkel- of dubbelwandig) en de locatie van de tank (wel of niet in grondwaterbeschermingsgebied). De herkeuringstermijn is 10, 15 of 20 jaar.

Keuring afgewerkte olietanks
Een ondergrondse opslagtank voor afgewerkte olie moet het bedrijf minstens één maal per 5 jaar laten keuren door een gecertificeerd bedrijf.

Afgekeurde ondergrondse tanks
Als een ondergrondse tank wordt afgekeurd, dan moet het bedrijf binnen 8 weken de tank:

  • laten verwijderen door een gecertificeerd bedrijf
  • onklaar laten maken door een gecertificeerd bedrijf of
  • na reparatie laten herkeuren door een gecertificeerd bedrijf

Opslaan van overige goederen of stoffen

Voor het opslaan van overige dan de hiervoor genoemde goederen (waaronder afvalstoffen), gelden de volgende voorschriften.

Lekkend, uitlogend of inert

Voor de eisen voor het opslaan van overige bulk- en stukgoederen, verdeelt het Activiteitenbesluit deze in drie groepen:

  1. goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken (L),
  2. goederen die bij contact met water significant kunnen uitlogen (U),
  3. inerte goederen: niet-bodembedreigend en niet-gevaarlijk (I).

In de Activiteitenregeling is een aantal goederen aangemerkt als L, U en I.

Hieronder is een overzicht gegeven van bij metaalrecyclingbedrijven voorkomende goederen en de groep waarin ze zijn ingedeeld. Het overzicht is beperkt tot de goederen die in de Activiteitenregeling zijn aangemerkt.

Daarnaast kan sprake zijn van goederen die stuifgevoelig zijn. Hiervoor gelden specifieke eisen om verstuiven te voorkomen.

Stof

Inert

Niet inert: Lekkend of Uitlogend

Indicatieve tabel producteigenschappen: inert, lekkend, uitlogend
Metaal(draaisel) met aanhangende olie of emulsie L
48 uur uitgelekt metaal(draaisel) met aanhangende olie of emulsie U
Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur waaruit bodembedreigende stoffen kunnen lekken L
Kunststofgeïsoleerde kabels I
Oliedrukkabels L
Gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels U
Aluminium, ijzer, roestvrij staal I
Andere metalen dan aluminium, ijzer, roestvrij staal. Bijvoorbeeld koper, zink, lood U

Opslaan van oliehoudend metaal(draaisel)

Afval kan deels bestaan uit metaal(draaisel), wel of niet oliehoudend. Voor het uitlekken en de opslag van oliehoudend metaal(draaisel) geldt dat dit moet plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer, verharding of lekbak. Na 48 uur uitlekken is een vloeistofkerende voorziening voldoende als de opslag is beschermd tegen inregenen.

Opslaan van niet verontreinigde ferrometalen, aluminium en roestvrij staal

Deze metalen zullen in principe de bodem en het oppervlaktewater niet verontreinigen. Voor deze opslag gelden geen bodembeschermende maatregelen.

Stuifklasse S4 - Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming

Naast de indeling van inert, uitlogend of lekkend vallen schroot en ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming in stuifklasse S4 (licht stuifgevoelig en bevochtigbaar). Stoffen van klasse S4 mogen buiten worden opgeslagen, maar het bedrijf moet deze stoffen dan vochtig houden.

Overslag van stuifgevoelige goederen is alleen toegestaan als het niet te hard waait. Het bedrijf moet zorgen dat emissies bij overslag worden voorkomen. De belangrijkste indicator voor het optreden van emissies is een met het blote oog zichtbare stofpluim op twee meter van de bron. Het bedrijf moet maatregelen treffen om te voorkomen dat zo’n stofpluim ontstaat. Mogelijke maatregelen om emissies bij overslag te voorkomen zijn: bevochtigen, gesloten systemen voor continu transport, afzuiging van storttrechters en afgesloten grijpers.

Opslaan van non-ferrometalen (bijvoorbeeld koper, lood, zink)

Non-ferrometalen (zoals koper, lood en zink) logen uit bij contact met hemelwater. De zware metalen die uitlogen, worden meegenomen door het afvalwater, en slaan voor het grootste deel neer als onopgeloste stoffen voor de lozing. Het bedrijf moet non-ferrometalen zodanig opslaan, dat ze niet in contact komen met hemelwater en zo uitloging wordt voorkomen. Het bedrijf kan dan volstaan met een vloeistofkerende vloer. Als geen bescherming tegen inregenen aanwezig is, moet een vloeistofdichte vloer of verharding aanwezig zijn.

Bij grote opslagen kan het voorkomen dat een overkapping tot onevenredig grote kosten leidt. Voor de opslag van zink mag het bedrijf, in gevallen dat overkapping niet redelijk is, volstaan met een vloeistofkerende vloer. Voor andere metalen kan het bevoegd gezag deze afwijking alleen via maatwerkvoorschriften toestaan.

Opslaan van kabels

Voor de opslag van kunststofgeïsoleerde kabels gelden geen eisen voor bodembeschermende voorzieningen. Uit gebruikte oliedrukkabels kan olie lekken, zodat opslag moet plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer, verharding of lekbak. Het bedrijf moet gebruikte gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels opslaan boven een vloeistofkerende vloer en beschermen tegen inregenen. Zonder bescherming tegen inregenen moet opslag plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer of verharding en gelden eisen voor het te lozen afvalwater dat in contact is geweest met deze kabels.

Lozen afvalwater afkomstig van opslaan van overige goederen of stoffen

Als goederen in de buitenlucht worden opgeslagen, gelden eisen voor het te lozen hemelwater dat in contact is geweest met deze goederen. Daarnaast moet het bedrijf ervoor zorgen dat het afvalwater altijd kan worden bemonsterd.

Als uitsluitend inerte goederen worden opgeslagen, moet het bedrijf het hemelwater bij voorkeur lozen op de bodem, oppervlaktewater of schoonwaterriool. Als dat niet mogelijk is, mag het bedrijf lozen op het vuilwaterriool. Bij lozing op oppervlaktewater of riool geldt voor het te lozen afvalwater een norm van 300 mg/l onopgeloste bestanddelen. Afhankelijk van de aard van de goederen kan het slibvangput noodzakelijk zijn om aan deze norm te voldoen.

Als goederen worden opgeslagen die kunnen uitlogen en deze opslag niet tegen inregenen is beschermd, moet het bedrijf een slibvangput plaatsen. Lozing op oppervlaktewater is alleen toegestaan als voldaan wordt aan de specifieke lozingseisen. Lozing op de bodem is verboden.

Bij de opslag van afvalstoffen waaruit bodembedreigende stoffen kunnen lekken, moet het bedrijf hemelwater dat in contact is geweest met deze afvalstoffen lozen op het vuilwaterriool. Lozing van dit afvalwater op het oppervlaktewater is verboden tenzij dit is toegestaan met een watervergunning. Lozen op de bodem is verboden. Voor lozing op het vuilwaterriool geldt zowel een norm van 300 mg/l onopgeloste bestanddelen als een norm van 20 mg/l olie. Aan deze norm kan worden voldaan door het plaatsen van een slibvangput en olieafscheider. Als het afvalwater wordt geleid door een olieafscheider dan geldt niet de norm van 20 milligram olie per liter, maar een norm van 200 milligram per liter.

Verder moet het bedrijf de stoffen – bij het opslaan in de buitenlucht – zodanig opslaan dat het zoveel mogelijk voorkomt dat deze in het oppervlaktewater geraken.

Tankplaats voor eigen gebruik van afgetapte brandstoffen (< 25.000 liter per jaar)

Het bedrijf moet bij minder dan 25.000 liter getankte brandstof per jaar bij de tankplaats ten minste een vloeistofkerende vloer met interne werkinstructie hebben als bodembeschermende maatregel.

Het bedrijf moet afvalwater van een vloeistofkerende vloer bij een tankplaats lozen op het vuilwaterriool via een goed functionerende slibvangput en olie-afscheider.

Verder geldt voor de afleverinstallatie een aantal eisen uit PGS 30. Deze eisen moeten overvullen, ongewenst leeglopen en ongewenst gebruik door onbevoegden voorkomen.

Tankplaatsen voor benzine mogen niet inpandig zijn als ze na 1 januari 2012 geïnstalleerd zijn.

Meer informatie

De website van InfoMil geeft uitgebreide informatie over de metaalrecyclingbranche. Overheden kunnen met vragen terecht bij de helpdesk van Kenniscentrum InfoMil. Bedrijven kunnen met vragen terecht bij hun koepelorganisatie (zoals MRF) of bij Antwoord voor bedrijven.