Overige lozingen kas

De activiteit het lozen van afvalwater dat ontstaat bij het telen of kweken van gewassen in een kas en niet als aparte activiteit is uitgelegd. De uitgelegde activiteiten zijn het lozen van:

Op deze pagina leest u meer over:

Vindplaats

Het voorschrift voor het lozen van overig afvalwater afkomstig van het telen en kweken in een kas is opgenomen in artikel 3.63 van § 3.5.1 het Activiteitenbesluit.

De lozingen zijn geregeld voor riool en oppervlaktewater. Zonder maatwerkvoorschrift (artikel 2.2 Activiteitenbesluit) is het verboden om in of op de bodem te lozen, of in een hemelwaterriool te lozen.

Er gelden voor deze activiteit voorschriften voor de lozing op oppervlakte water. Daarnaast geldt dat men alleen in het oppervlaktewater mag lozen, als er binnen 40 meter geen vuilwaterriool is. Een tweede voorwaarde is dat men op het riool kan aansluiten. In sommige gevallen is wel een vuilwaterriool aanwezig, maar is de capaciteit niet toereikend en dat betekent dat niet 'kan' worden geloosd.

De afstand tot het riool meet men vanaf de kadastrale grens van het perceel. Men moet uitgaan van de kortste lijn waarlangs men afvoerleidingen zonder grote bezwaren kan aanleggen.

Voor de berekening van de 40 meter mag het bevoegd gezag uitgaan van het punt waar afvalwater vrijkomt in plaats van de perceelsgrens. Dit geldt alleen bij voorzetting van lozingen die al voor 1 januari 2013 bestonden.

Bij lozen in oppervlaktewater en in het vuilwaterriool geldt de voorkeursvolgorde, wat betekent dat eerst de meest vervuilende afvalwaterstromen moeten worden geloosd op het vuilwaterriool.

Het gaat hier om het lozen van afvalwater dat ontstaat bij een activiteit die plaats vind bij het telen of kweken van gewassen in een kas.  Deze activiteit is niet als aparte activiteit uitgelegd in het Activiteitenbsluit. U kunt denken aan:

  • spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie
  • afvalwater dat alleen bloemvoorbehandelingsmiddelen op basis van actief chloor bevat
  • afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde vloeren van ruimten waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt
  • reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend
  • condenswater van stoomleidingen en condenswater van verwarmingsketels
  • condenswater van warmtekrachtinstallaties;
  • afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal

Opslag van substraatmateriaal valt niet meer onder een agrarische stof waardoor andere lozingsvoorschriften gelden.

De activiteit is geregeld in hoofdstuk 3 van het besluit. Daarom gelden de voorschriften voor type B- en type C-bedrijven. Een inrichting type B en een inrichting type C moeten de activiteit melden.

In de oorspronkelijke tekst van het Activiteitenbesluit is een nota van toelichting (pdf, 86 kB) opgenomen.

Substraatmateriaal

De definitie van agrarische bedrijfsstoffen heeft men in Staatsblad 2014, nummer 20 gewijzigd. Als men niet oorspronkelijk plantaardig materiaal gebruikt als substraat oftewel groeimedium, is het geen agrarische bedrijfsstof. Substraat zoals steenwol en glaswol moet men dan ook behandelen volgens § 3.4.3 op- en overslaan van goederen.

Voorbeelden van een substraat van een plantaardige oorsprong zijn: cocosvezel, veen en potgrond. Potgrond is een verzamelnaam en is een mengsel dat voor een groot deel bestaat uit veen. Afhankelijk van het gebruik wordt veen gemengd met producten zoals boomschors, kokos, compost, zand, meststoffen en kalk. Dit substraat valt daarom wel onder § 3.4.5 opslag agrarische bedrijfsstoffen.

Condenswater van stookinstallaties

Er gelden geen eisen voor de temperatuur van het te lozen condenswater van:

  • stoomleidingen
  • warmtekrachtinstallaties
  • condensor van verwarmingsketels

Op grond van de zorgplicht moeten nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater worden voorkomen. Bij een temperatuur van meer dan 30° C kan sprake zijn van nadelige gevolgen. Dit kan men voorkomen door dit water te laten afkoelen.

Maatwerk

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift:

  • een grotere afstand dan 40 meter vaststellen tot een maximum van 10 meter per 0,1 hectare teeltoppervlak
  • de hoeveelheid te lozen afvalwater per tijdseenheid regelen. Dit gaat via voorzieningen die nodig zijn voor een gespreide afvoer en een buffervoorziening met een inhoud van ten minste 50 m3/ha.

Verboden en voorwaarden

De hieronder genoemde afvalwaterstromen mag men lozen:

  • spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie
  • afvalwater dat alleen bloemvoorbehandelingsmiddelen op basis van actief chloor bevat
  • afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde vloeren van ruimten waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt
  • reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend
  • condenswater van stoomleidingen en condenswater van verwarmingsketels
  • condenswater van warmtekrachtinstallaties
  • afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal

De genoemde lozingsvoorwaarden voor vuilwaterriool gelden voor het gemeentelijk riool maar ook voor een particulier stelsel. Daarbij maakt het niet uit of het particuliere stelsel aansluit op het gemeentelijk riool of direct aansluit op een afvalwaterzuiveringsinstallatie. De lozingsvoorwaarden zijn namelijk bedoelt voor en de bescherming van het milieu, de waterzuivering én het rioolstelsel.

Controleaspecten

  1. Wat is de afstand waar men kan aansluiten op vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk en wat is de capaciteit hiervan?
  2. Is het vanuit BBT oogpunt wenselijk om de maximale aansluitafstand tot het vuilwater riool groter te maken dan 40 meter?
  3. Wordt bij het lozen op het oppervlaktewater voldaan aan de voorkeursvolgorde?

Uw onderwerpen