Lozingsvoorschriften op- en overslaan van goederen

Het opslaan en overslaan van goederen vindt op veel plekken plaats. Het gebeurt zowel binnen inrichtingen, als er buiten. Omdat transport ook over water gaat vindt deze activiteit vaak in de nabijheid van oppervlaktewater plaats.

Inhoud

Toepassingsgebied

De Nederlandse wetgeving ziet het begrip 'lozen' zeer breed. Dit begrip gaat verder dan het lozen van (afval)water. Ook het brengen van stoffen in het oppervlaktewater ziet de wetgeving als lozen. Dit brengen in het oppervlaktewater kan door:

  • verstuiven,
  • verwaaien of
  • goederen die met het afstromend hemelwater mee spoelen

De regels gelden daarom ook voor de op en overslag vanaf schepen. Ze gelden ook voor het zeven van grond. Wel is de capaciteit voor het zeven van grond dan minder dan 100.000 ton per jaar.

Hemelwater

Afstromend hemelwater, is water dat uit de hemel valt zoals: regen, sneeuw en hagel en dauw. Dit hemelwater wordt normaal gesproken gezien als een "schone" afvalwaterstroom, als het niet van een bodembeschermende voorziening stroomt.

Als dit water in contact komt met goederen in de activiteit op- en overslaan van goederen gaat het niet langer om een "schone" afvalwaterstroom. Dit staat in artikel 3.3 van het Activiteitenbesluit (AB). Daarom zijn er maatregelen nodig. Deze zijn hier beschreven.

Substraatmateriaal

De definitie van agrarische bedrijfsstoffen heeft men in Staatsblad 2014, nummer 20 gewijzigd. Als men niet oorspronkelijk plantaardig materiaal gebruikt als substraat of te wel groeimedium, is het geen agrarische bedrijfsstof.

Substraat zoals steenwol en glaswol moet men dan ook behandelen volgens §3.4.3 op- en overslaan van goederen.

Voorbeelden van een substraat van een plantaardige oorsprong zijn: kokosvezel, veen en potgrond.

Potgrond is een verzamelnaam en is een mengsel dat voor een groot deel bestaat uit veen. Afhankelijk van het gebruik wordt veen gemengd met producten zoals boomschors, kokos, compost, zand, meststoffen en kalk. Dit substraat valt daarom wel onder §3.4.5 opslag agrarische bedrijfsstoffen.

Buiten of binnen een inrichting?

Soms vindt opslag en overslag buiten inrichtingen plaats. Gebruik van mechanisch transport kan er al snel voor zorgen dat men die situatie wel moet zien als een inrichting. Alleen als de op- en overslag activiteit een tijdelijke activiteit is, hoeft dit niet het geval te zijn.

Veelal wordt een termijn van 6 maanden gehanteerd voor een activiteit als een inrichting in de zin van de Wm wordt beschouwd. De beoordeling hiervoor ligt bij het Wabo bevoegde gezag.

Vangnet in het AB

Het opslaan en overslaan van goederen is een brede activiteit. Sommige goederen hangen samen met een bepaalde activiteit. Ze gebeuren alleen in die combinatie. Dan is de op- en overslag bij die activiteit geregeld.

Voor deze activiteiten is de activiteit op- en overslag een soort van vangnet. Dit blijkt ook uit de teksten van het besluit. Er is wel onderscheid gemaakt tussen type A en B en type C-inrichtingen.

Vangnet voor type A en B inrichtingen

Voor type A en B inrichtingen zijn de lozingsvoorschriften voor de activiteit "op- en overslag" van toepassing. De voorwaarde is wel dat het niet is geregeld in de volgende paragrafen van het Activiteitenbesluit:

  • 3.3.3: Het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten
  • 3.4.1: Opslaan van propaan
  • 3.4.2: Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn
  • 3.4.5: Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
  • 3.4.6: Opslaan van drijfmest en digestaat
  • 3.4.7: Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen
  • 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest
  • 4.1.1: Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, bepaalde organische peroxiden, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners of vaste kunstmeststoffen
  • 4.1.2: Opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen
  • 4.1.3: Opslaan van stoffen in opslagtanks
  • 4.1.4: Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
  • 4.1.7: Opslag van vaste kunstmeststoffen

Vangnet voor type C-inrichtingen

De voorschriften voor de activiteit "op- en overslag" is alleen van toepassing voor type C-inrichtingen als het gaat om de activiteiten:

De voorwaarde is wel het niet is geregeld in de volgende paragrafen van het Activiteitenbesluit:

  • 3.4.1: Opslaan van propaan
  • 3.4.2: Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn
  • 3.4.5: Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
  • 3.4.6: Opslaan van drijfmest en digestaat
  • 3.4.7: Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen
  • 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest
  • 4.1.1: Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, bepaalde organische peroxiden, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners of vaste kunstmeststoffen
  • 4.1.2: Opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen
  • 4.1.3: Opslaan van stoffen in opslagtanks
  • 4.1.4: Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
  • 4.1.7: Opslag van vaste kunstmeststoffen

Vergunningplicht

De algemene regels in de besluiten vervangen in bijna alle gevallen de vergunningplicht volgens de Waterwet. Uitzondering hierop is de op- en overslag in een inrichting in de omgeving van een niet-aangewezen oppervlaktewater.

Voor lozingen naar het oppervlaktewater heeft men in de algemene regels verschil gemaakt tussen kwetsbaar en niet kwetsbaar oppervlaktewater. De niet-kwetsbare oppervlaktewateren zijn opgenomen in bijlage 2 van de Regeling bij het Activiteitenbesluit. Deze lijst noemt men de "aangewezen oppervlaktewaterlichamen".

Voor deze activiteit mag een lozing op oppervlakte water alleen als het oppervlaktewaterlichaam hierin staat. Dit betekent dat voor lozingen op andere wateren een waterwetvergunning nodig is.

Vindplaats

Lozingsvoorschriften voor de op- en overslag van goederen kan men in twee soorten algemene regels verdelen. Voor:

De voorschriften van deze twee besluiten zijn hetzelfde. Alleen gebeuren sommige handelingen altijd alléén bij een inrichting. Daarom vindt u niet alle voorschriften in het Blbi.

De activiteit is geregeld in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Daarom gelden de voorschriften voor type B- en type C-bedrijven. Een inrichting type B en een inrichting type C moeten de activiteit melden.

Ook valt deze activiteit onder de definitie van inrichting type A (artikel 1.2). Dat betekent dat een inrichting type A die deze lozing uitvoert niet hoeft te melden. Dit staat in artikel 1.4 van het AB.

BBT

De best beschikbare techniek bij op- en overslag is het zoveel mogelijk voorkomen van de lozing. Wat BBT inhoudt staat ook in artikel 3.32, lid 1 AB. Daar staat, dat men de verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk moet beperken. En dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat:

  • stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is
  • goederen in een oppervlaktewaterlichaam terechtkomen
  • goederen in een vuilwaterriool komen

Dit geldt allemaal ook voor het zeven van grond.

Meldingseisen

Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM)

Om te mogen starten met het op- en overslaan van bulk- en stukgoederen die afvalstoffen zijn, heeft een bedrijf in sommige gevallen toestemming nodig van het bevoegd gezag. Deze "toestemming vooraf" heet de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM).

Zie voor meer informatie de volgende overzichten over de OBM:

Verboden en voorwaarden

Voorwaarden voor buiten opgeslagen bulkgoederen

Bulkgoederen die, binnen een inrichting, in de buitenlucht zijn opgeslagen vallen onder artikel 3.33 en 3.34 AB. Hierin staan de voorwaarden voor het lozen van afvalwater dat in contact is geweest met bulkgoederen. Er is onderscheid gemaakt in inerte goederen en niet-inerte goederen.

Inerte goederen

Als men de opgeslagen inerte goederen bevochtigd, dan hergebruikt men het water dat met opgeslagen goederen in contact is geweest. Dit gebeurt zoveel mogelijk.

Afvalwater (ook hemelwater) dat met inerte goederen in contact is geweest mag men:

  • lozen op of in de bodem
  • in het oppervlaktewater lozen zonder visuele verontreiniging
  • in het schoon waterriool lozen; met een lozingseis van 300 mg/l onopgeloste stoffen
  • in het alleen in het vuilwaterriool lozen als de andere routes niet mogelijk zijn; met een lozingseis van 300 mg/l onopgeloste stoffen

Niet-inerte goederen

Niet-inerte goederen zijn goederen die kunnen lekken of kunnen uitlogen.

Als men de opgeslagen niet-inerte goederen bevochtigd, dan hergebruikt men het water dat met opgeslagen goederen in contact is geweest. Dit gebeurt zoveel mogelijk.

Afvalwater (ook hemelwater) dat met niet-inerte goederen in contact is geweest mag men:

  • in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen als:
  • in het alleen in het vuilwaterriool lozen als de andere routes niet mogelijk zijn en met een lozingseis van:
    • 300 mg/l onopgeloste stoffen
    • 20 mg olie per liter
    • 200 mg olie per liter, als het afvalwater eerst door een olie-afscheider stroomt voordat het wordt gemengd met ander afvalwater

Lozingsnomen

De genoemde lozingsvoorwaarden voor vuilwaterriool gelden voor het gemeentelijk riool maar ook voor een particulier stelsel. Daarbij maakt het niet uit of het particuliere stelsel aansluit op het gemeentelijk riool of direct aansluit op een afvalwaterzuiveringsinstallatie. De lozingsvoorwaarden zijn namelijk bedoelt voor en de bescherming van het milieu, de waterzuivering én het rioolstelsel.

Lozingsnormen voor afvalwater gelden op moment dat afvalwater vrijkomt.  Verdunnen van afvalwater is in strijd met een algemeen beginsel van de Wet milieubeheer artikel 10.29a : het beperken van het gebruik van grondstoffen (in dit geval water).

Voor het verlenen van vergunningen is een instructieregel hiervoor opgenomen in artikel 5.5 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (BOR).

In de lozingenbesluiten is het verbod tot verdunnen opgenomen in artikel 2.2a van het activiteitenbesluit of 2.3 Besluit lozen buiten inrichtingen. Uit oogpunt van doelmatigheid kan dit aangepast worden, bijvoorbeeld omdat het afvalwater door eenzelfde zuiveringsvoorziening kan worden geleid.

Als een bedrijf een lozingsnorm overschrijdt dan  moet dat bedrijf het productieproces aanpassen of het afvalwater (voor)zuiveren voor een lozing.

Op- en overslag nabij oppervlaktewater

Bulkgoederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze in het oppervlaktewater geraken (art. 3.32, onder c, Activiteitenbesluit en artikel 3.13, vierde lid, Besluit lozen buiten inrichtingen).

Buitenopslag

Bij buitenopslag wordt zoveel mogelijk voorkomen dat bulkgoederen in het oppervlaktewater komen als:

  • geen opslag binnen 2 meter van oever of kaderand plaatsvindt, of
  • een deugdelijke keerwand aanwezig is én
  • er géén product tussen de keerwand en kade of oever ligt

Er zijn een aantal, verplichte en erkende maatregelen om stofemissies als gevolg van verstuiven en verwaaien te beperken. Deze zijn afhankelijk van de stuifklasse van de goederen en aard van de op- of overslag.

Er is een overzicht van de maatregelen die in verschillende situaties genomen moeten worden. In de tabel regelgeving op -en overslag staan deze maatregelen samengevat. Het volledige overzicht staat in de nota van toelichtingen bij de Activiteitenregeling en de Regeling lozen buiten inrichtingen. De maatregelen om stofemissies te beperken vinden hun basis in de NeR. Nadere informatie vindt u in de factsheets.

Laden of lossen van schepen

Het boven een oppervlaktewaterlichaam opslaan van niet-inerte goederen mag alleen "benedendeks" van een binnenschip.

Bij het laden of lossen van schepen wordt zoveel mogelijk voorkomen dat bulkgoederen in het oppervlaktewater komen als:

  • het schip tegen de wal ligt, of
  • het schip met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep, of
  • er geen overslagbewegingen boven open water plaats vinden, én
  • het schoonmaken van de grijpers plaatsvindt zonder dat overslagresten of spoelwater in het oppervlaktewater terechtkomt

Zie artikel 3.41 Activiteitenregelingen artikel 2.18 Regeling lozen buiten inrichtingen.

Maatwerk

Niet-inerte goederen buiten inrichtingen

Buiten inrichtingen gebeurt bijna nooit dat men niet-inerte goederen op en overslaat. Dus heeft men er ook geen voorschriften voor opgenomen. er is wel een definitie van Inerte goederen. Dit zijn goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn.

Als men niet-inerte goederen op en overslaat, geldt de zorgplichtbepaling (artikel 2.1 Blbi). Deze zorgplichtbepaling geeft het bevoegd gezag ook de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift af te geven.

Niet-inerte goederen en grenswaarden

Het bevoegde gezag kan gemotiveerd hogere emissiegrenswaarden vaststellen dan vermeld in tabel 3.34. Dit kan volgens artikel 3.34, lid 4 Ab.

Controleaspecten

  1. Is er een vergunning?
    1. een water vergunning bij niet aangewezen oppervlakte water?
    2. OBM (op en overslag van (auto)banden, kunststof en of schroot)
  2. Wordt er grond gezeefd? Is de capaciteit voor het zeven minder dan 100.000 ton per jaar?
  3. Wat wordt er op- of overslagen?
    1. zijn het inerte goederen?
      Let op d
      e tabel in de Activiteitenregeling is niet uitputtend, dus ook stoffen die niet op deze lijst voorkomen kunnen inert zijn.
    2. zijn het niet inerte goederen? Is er sprake van een inrichting? Bij nee: Is er sprake van maatwerk?
  4. Is er sprake van een lozing op oppervlaktewater
    1. Is het een aangewezen oppervlakte water?
    2. Wordt voorkomen dat bulkgoederen in het oppervlaktewater terecht komt?
      1. Visuele check op verstuiven/verwaaien (stofontwikkeling) van goederen. Is deze op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog te zien?
      2. Als er sprake is van een lozing:
        1. toetsen of de verplichte maatregelen voor de beperking van stofemissies zijn genomen.
        2. er geen zichtbare verontreiniging is van het oppervlaktewater
    3. van afvalwater dat komt van niet-inerte goederen:
      1. is geen sprake van goederen waaruit bodembedreigende stoffen kunnen lekken
      2. zijn de grenswaarden volgens tabel 3.34 van het Activiteitenbesluit niet overschreden?
      3. is er maatwerk?
    4. is het monsternamepunt goed toegankelijk en in goede staat?
  5. is er sprake van een lozing op een riool?
    1. voldoet men aan de gestelde lozingsnormen?
    2. Is het monsternamepunt goed toegankelijk en in goede staat?
    3. is er een kans dat er minerale olie wordt geloosd?

Olie-afscheider en slibvangput aanwezig?

In het handboek water is alle informatie over olie-afscheider en slibvangput te vinden. Daar vind u ook informatie over controle aspecten, monstername en informatie over capaciteitsberekeningen en achtergrond informatie over olie-afscheiders en slibvangputten.