Lozingsvoorschriften op- en overslaan van goederen

Het opslaan en overslaan van goederen vindt vaak plaats, zowel binnen inrichtingen als daarbuiten. Omdat het transport over water gaat vindt deze activiteit vaak in de nabijheid van oppervlaktewater plaats. De algemene regels voor lozingen afkomstig van de op- en overslag van goederen binnen inrichtingen staan in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit en daarbuiten in het Besluit lozen buiten inrichtingen.

In de Nederlandse wetgeving is 'lozen' een zeer breed begrip dat verder gaat dan het lozen van (afval)water. Het brengen van stoffen in het oppervlaktewater in het algemeen ziet de wetgeving als lozen. Dus als vanuit de opslag of bij het overslaan goederen verstuiven/verwaaien en in het oppervlaktewater geraken is sprake van lozen volgens de Waterwet. De waterkwaliteitsbeheerder is hiervoor het bevoegd gezag.laden en lossen


Vindplaats

De activiteit is geregeld in hoofdstuk 3 van het besluit. Daarom gelden de voorschriften voor type B- en type C-bedrijven. Een inrichting type B en een inrichting type C moeten de activiteit melden.

Ook valt deze activiteit onder de definitie van inrichting type A (artikel 1.2). Dat betekent dat een inrichting type A die deze lozing uitvoert niet hoeft te melden. Dit staat in artikel 1.4 van het AB

Toepassingsgebied

Omdat opslaan en overslaan van goederen zowel binnen als buiten inrichtingen plaatsvindt, zijn hiervoor zowel in het Activiteitenbesluit als in het Besluit lozen buiten inrichtingen voorschriften opgenomen. Inhoudelijk zijn deze voorschriften gelijk. Veel voorschriften vindt u in het Besluit lozen buiten inrichtingen niet terug. Dit komt omdat bepaalde activiteiten altijd bij een inrichting plaats vinden. Zo leidt het gebruik van mechanisch transport er al snel toe dat sprake is van een inrichting.

De algemene regels in de besluiten vervangen in bijna alle gevallen de vergunningplicht volgens de Waterwet. Uitzondering hierop is de op- en overslag in een inrichting in de nabijheid van een niet-aangewezen oppervlaktewater.

Voor lozingen naar het oppervlaktewater heeft men in de algemene regels verschil gemaakt tussen kwetsbaar en niet kwetsbaar oppervlaktewater. De niet-kwetsbare oppervlaktewateren zijn opgenomen in bijlage 2 van de Regeling bij het Activiteitenbesluit. Deze lijst noemt men de "aangewezen oppervlaktewaterlichamen".

Voor deze activiteit mag een lozing op oppervlakte water alleen als het oppervlaktewaterlichaam hierin staat. Dit betekent dat voor lozingen op andere wateren een waterwetvergunning nodig is.

Verder zijn deze voorschriften van toepassing op alle op- en overslag van inerte goederen, zowel bij inrichtingen als daarbuiten. Binnen het activiteitenbesluit kent men wel verschillen tussen type C en type A/B bedrijven. Zie de tabel regelgeving op -en overslag waar dit alles is samengevat.

Type A en B inrichtingen

Voor type A en B inrichtingen zijn deze voorschriften van toepassing zover het niet is geregeld in de volgende paragrafen van het Activiteitenbesluit:

  • 3.3.3: Het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten
  • 3.4.1: Opslaan van propaan
  • 3.4.2: Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn
  • 3.4.5: Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
  • 3.4.6: Opslaan van drijfmest en digestaat
  • 3.4.7: Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen
  • 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest
  • 4.1.1: Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, bepaalde organische peroxiden, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners of vaste kunstmeststoffen
  • 4.1.2: Opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen
  • 4.1.3: Opslaan van stoffen in opslagtanks
  • 4.1.4: Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
  • 4.1.7: Opslag van vaste kunstmeststoffen

Type C-inrichtingen

Voor type C-inrichtingen is deze paragraaf uitsluitend van toepassing als het autodemontage, een zuiveringtechnisch werk of een gemeentelijk afvalstoffendepot betreft en niet is geregeld in de volgende paragrafen:

  • 3.4.1: Opslaan van propaan
  • 3.4.2: Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn
  • 3.4.5: Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
  • 3.4.6: Opslaan van drijfmest en digestaat
  • 3.4.7: Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen
  • 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest
  • 4.1.1: Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, bepaalde organische peroxiden, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners of vaste kunstmeststoffen
  • 4.1.2: Opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen
  • 4.1.3: Opslaan van stoffen in opslagtanks
  • 4.1.4: Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
  • 4.1.7: Opslag van vaste kunstmeststoffen

In artikel 3.33 en 3.34 Activiteitenbesluit worden voorwaarden gesteld aan het lozen van afvalwater dat in contact is geweest met in de buitenlucht opgeslagen bulkgoederen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in aangewezen en niet aangewezen bulkgoederen. In artikel 3.33 gaat het om inerte goederen. Afvalwater dat met inerte goederen in contact is geweest mag men:

  • in het oppervlaktewater lozen zonder visuele verontreiniging.
  • lozen op of in de bodem
  • in het (vuil)waterriool lozen; met een lozingseis van 300 mg/l onopgeloste stoffen.

Bij deze laatste mogelijkheid moet het mogelijk zijn om het afvalwater op een doelmatige wijze te bemonsteren. Voor een doelmatige bemonstering dient het monsternamepunt goed toegankelijk te zijn en in goede staat te verkeren.

De genoemde lozingsvoorwaarden voor vuilwaterriool gelden voor het gemeentelijk riool maar ook voor een particulier stelsel. Daarbij maakt het niet uit of het particuliere stelsel aansluit op het gemeentelijk riool of direct aansluit op een afvalwaterzuiveringsinstallatie. De lozingsvoorwaarden zijn namelijk bedoelt voor en de bescherming van het milieu, de waterzuivering én het rioolstelsel.

Lozingsnormen voor afvalwater gelden op moment dat afvalwater vrijkomt.  Verdunnen van afvalwater is in strijd met een algemeen beginsel van de Wet milieubeheer artikel 10.29a : het beperken van het gebruik van grondstoffen (in dit geval water).

Voor het verlenen van vergunningen is een instructieregel hiervoor opgenomen in artikel 5.5 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (BOR).

In de lozingenbesluiten is het verbod tot verdunnen opgenomen in artikel 2.2a van het activiteitenbesluit of 2.3 Besluit lozen buiten inrichtingen. Uit oogpunt van doelmatigheid kan dit aangepast worden, bijvoorbeeld omdat het afvalwater door eenzelfde zuiveringsvoorziening kan worden geleid.

Als een bedrijf een lozingsnorm overschrijdt, dan zal dat bedrijf het productieproces moeten aanpassen of het afvalwater (voor)zuiveren voor een lozing.

Als men de opgeslagen inerte goederen bevochtigd, dan hergebruikt men het water dat met opgeslagen goederen in contact is geweest. Dit gebeurt zoveel mogelijk.

In artikel 3.34 gaat het om niet-inerte goederen. In tabel 3.34 van het Activiteitenbesluit staan de grenswaarden waar aan voldaan moet worden voordat er mag worden geloosd. Verder staan hier verschillende maatregelen genoemd. Deze moet men treffen om verontreinigingen te voorkomen.

Afstromend hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening wordt in het algemeen geregeld met artikel 3.3 van het AB. Daar is, in het eerste lid onder b, opgenomen dat dit artikel niet van toepassing is bij op- en overslag.

Buiten inrichtingen is het uitgangspunt dat er zelden niet-inerte goederen worden op- of overgeslagen. Daarvoor zijn dus ook geen voorschriften opgenomen. De zorgplichtbepaling volgens artikel 2.1 is hier bepalend en op grond daarvan kan eventueel een maatwerkvoorschrift gesteld worden.

Substraatmateriaal

De definitie van agrarische bedrijfsstoffen heeft men in Staatsblad 2014, nummer 20 gewijzigd. Als men niet oorspronkelijk plantaardig materiaal gebruikt als substraat of te wel groeimedium, is het geen agrarische bedrijfsstof. Substraat zoals steenwol en glaswol moet men dan ook behandelen volgens §3.4.3 op- en overslaan van goederen.

Voorbeelden van een substraat van een plantaardige oorsprong zijn: kokosvezel, veen en potgrond. Potgrond is een verzamelnaam en is een mengsel dat voor een groot deel bestaat uit veen. Afhankelijk van het gebruik wordt veen gemengd met producten zoals boomschors, kokos, compost, zand, meststoffen en kalk. Dit substraat valt daarom wel onder §3.4.5 opslag agrarische bedrijfsstoffen.

Verboden en voorwaarden

Op- en overslag nabij oppervlaktewater
Bulkgoederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze in het oppervlaktewater geraken (art. 3.32, onder c, Activiteitenbesluit en artikel 3.13, vierde lid, Besluit lozen buiten inrichtingen).

Bij buitenopslag wordt hieraan voldaan als:

  • geen opslag binnen 2 meter van oever of kaderand plaatsvindt, of
  • een deugdelijke keerwand aanwezig is én er geen product tussen de keerwand en kade of oever ligt

Bij het laden of lossen van schepen wordt hieraan voldaan als:

  • het schip tegen de wal ligt, of
  • het schip met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep, of
  • er geen overslagbewegingen boven open water plaats vinden, en
  • het schoonmaken van de grijpers plaatsvindt zonder dat overslagresten of spoelwater in het oppervlaktewater terechtkomt

Zie artikel 3.41 Activiteitenregelingen artikel 2.18 Regeling lozen buiten inrichtingen.

De Activiteitenregeling beschrijft in de artikelen 3.47 t/m 3.55 en de Regeling lozen buiten inrichtingen in de artikelen 2.20 t/m 2.25 een aantal, verplichte en erkende maatregelen om stofemissies als gevolg van verstuiven en verwaaien te beperken, afhankelijk van de stuifklasse van de goederen en aard van de op- of overslag.

In de nota van toelichtingen bij de Activiteitenregeling en de Regeling lozen buiten inrichtingen is een overzicht opgenomen van de maatregelen die in verschillende situaties genomen moeten worden. De maatregelen om stofemissies te beperken vinden hun basis in de NeR. Nadere informatie vindt u in de factsheets.

Controleaspecten

Wordt voorkomen dat bulkgoederen in het oppervlaktewater kunnen geraken?
Controleer of bij de buitenopslag, bij het laden en lossen afdoende maatregelen zijn getroffen.
Visuele check op verstuiven/verwaaien (stofontwikkeling) van goederen. Als dit toch optreedt, dan toetsen of de verplichte maatregelen ter beperking van stofemissies zijn genomen.

Betreft het op- of overslag van inerte goederen?
De tabel in de Activiteitenregeling is niet uitputtend, dus ook stoffen die niet op deze lijst voorkomen kunnen inert zijn. Het criterium daarvoor is de definitie volgens artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit. Inerte goederen zijn: goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CRM-stoffen zijn.

Betreft het op- of overslag van niet inerte goederen?
Wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 3.34 van het Activiteitenbesluit.