Emissiepuntverplaatsing onder de voormalige Richtlijn 1996

Vraag

Hoe ging de -inmiddels vervallen- Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 om met verplaatsing van het emissiepunt?

Antwoord

De jurisprudentie accepteerde de manier van de afstandsmeting van de voormalige Richtlijn 1996 (ABRvS d.d. 25 mei 1998, nr. E03.97.0870, JM 1998/98). Door verplaatsing van het emissiepunt verminderde de belasting op gevoelige objecten, zonder dat er iets in de stankemissie (mestvarkeneenheden (mve)) veranderde. Het bevoegde gezag kon aan de vergunning ook de voorwaarde verbinden een emissiepunt te verplaatsen. Ook kon het bedrijf zelf besluiten om het emissiepunt te verplaatsen (bijvoorbeeld om te kunnen uitbreiden). Wel golden daarbij enkele voorwaarden.

Geen verlating van de grondslag van de aanvraag

Het was de vraag of het verplaatsen van het emissiepunt leidde tot verlaten van de grondslag van de aanvraag. Dit bleek niet zo, zie bijvoorbeeld ABRvS, 200200280/1, 31 juli 2001 Ede; ABRvS, 200100953/1 en 2, 20 juli 2001, Uden, M&R 2001/178K.

Werking gegarandeerd

De goede werking van de installatie moest zijn gegarandeerd. Zie bijvoorbeeld Vz ABRvS, 200303296/1, 15 oktober 2003, Werkendam. Daarin waren uiteindelijk voldoende voorschriften gesteld.

Het emissiepunt kwam soms buiten de stal te liggen. Bijvoorbeeld door een ondergrondse afvoerbuis. In één uitspraak accepteerde de Afdeling een emissiepunt op 100 meter van de stal. De lucht werd via ondergrondse luchtafvoerkanalen naar dit punt afgevoerd (ABRvS d.d. 30 november 2000, 199903219/1, Zelhem). In latere uitspraken kwam de Afdeling hier weer op terug (ABRvS d.d. 13 juni 2001, nr. 199902202/1, Hardenberg). Het lijkt er op dat alleen als met garantie van een goede werking van een ventilatiekanaal/-buis zo'n verplaatsing van het emissiepunt mogelijk was. Zie bijvoorbeeld Vz ABRvS, 200307083/1 van 28 juli 2004, Ameland, daar ging het om een schapenstal waarvan het emissiepunt ongeveer 13 meter buiten de stal lag. De werking was niet voldoende gegarandeerd.

Geen grotere belasting ander stankgevoelig object

Ook moest het bevoegde gezag in de gaten houden dat door verplaatsing van het emissiepunt niet een ander stankgevoelig object teveel belast werd(ABRvS d.d. 26 maart 2001, nr. 200001167/1, JM 2001/82, Agriselect 2002/3.4).

Afwdwingen van verplaatsing van het emissiepunt kon alleen in een overbelaste situatie. In situaties die voldeden aan de eisen uit de Richtlijn 1996, was verplaatsing van het emissiepunt milieuhygiënisch niet noodzakelijk. Daarom kon het bevoegde gezag het ook niet afdwingen.

Toename mve in overbelaste situatie

De veehouder kon verplaatsing van het emissiepunt gebruiken als argument om in een overbelaste situatie een toename van de stankuitstoot (meer mve) aan te vragen. De redenering was dat door de vergroting van de afstand de stankbelasting op de overbelaste woning per saldo iets lager werd, ondanks de toename van het aantal mve. De toename van afstand moest dan zo groot zijn, dat deze de uitbreiding van het aantal mve tenminste compenseerde. De cumulatieregeling moest helpen bij het aantonen van deze compensatie. Namelijk door zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie de relatieve bijdrage van de stal op het stankgevoelige object te berekenen. Door de ‘lucht’ die een vergroting van de afstand opleverde voor een gedeelte weer op te vullen met extra mestvarkeneenheden, werd- tenminste zo was de redenatie- iedereen er beter van. De burgerwoning kreeg minder overlast en de veehouder kon toch uitbreiden.

De jurisprudentie over deze creatieve uitbreidingsoptie was wisselend. Zie bijvoorbeeld ABRvS, 200101517/1, 13 februari 2002, Alphen-Chaam, JM 2002/45, MilieuSelect 2002-5/7.3. In deze casus voldeed zowel de vergunde als de nieuwe situatie niet \aan individuele afstand van de Richtlijn 1996. De stank nam toe met 93 mve. Vergunnen mocht toch, omdat er een een afname van stankhinder vergeleken met de eerdere situatie was. Die afname bleek uit de berekening van de stankhinder met de formule voor de berekening van de relatieve bijdrage van stankhinder uit het Cumulatierapport (ni/Ni). Het uitgangspunt dat als bij gelijkblijvende bijdrage van andere veehouderijen, de relatieve bijdrage aan de stankhinder van een inrichting op een woning afnam, ook de enkelvoudige stankhinder voor die woning afnam, was volgens de Afdeling niet onjuist.

In ABRvS, 200105217/1, 22-01-03, Heumen, niet gepubliceerd, verwierp de Afdeling een identieke redenatie! In een overbelaste situatie kon vergunnen van een uitbreiding met mve, aldus de Afdeling, niet met verwijzing naar een afname van de relatieve bijdrage (wat in Alphen-Chaam dus wel mocht). Het aantal mve nam toe met 80. De situatie voldeed niet aan de minimumafstand. Hoewel de afstand toenam, was in dit geval bij de toename van het aantal mve geen aanmerkelijke verbetering ten opzichte van de eerder vergunde situatie. Verdere reductie van stankhinder was mogelijk, door een groter deel van het veebestand in Groen Label-stallen te huisvesten.

Er waren ook andere uitspraken waarin de combinatie van vergroting van de afstand en meer mve soms wel (ABRvS d.d. 19 november 1998, nr. E03.96.0508, Nieuwsbrief StAB 98/146 en ABRvS d.d. 29 maart 1999, nr. E03.97.0949 (Lopik), niet gepubliceerd) en soms niet (ABRvS, E03.99.0269, 18-12-00 (Oudewater) niet gepubliceerd) mogelijk was. De conclusie is dat de jurisprudentie op dit punt geen bestendige lijn had.


Zie ook



M&R

Milieu en Recht

Agriselect

Agriselect (nieuwsbrief voor overheid en bedrijf)

JM

Jurisprudentie Milieurecht

Milieuselect

Milieuselect (nieuwsbrief voor bedrijf en overheid)