Geurgevoelige objecten

In deze handreiking onderscheiden we vijf typen geurgevoelige objecten:

  1. Ruimte-voor-ruimte woning (of ander geurgevoelig object ):
    - gebouwd na 19 maart 2000
    - op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij
    - waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, én
    - waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt
  2. Bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij
  3. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij
  4. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die vóór 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij
  5. Alle woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder a t/m d vallen

De reden voor dit onderscheid is dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in feite deze indeling maakt bij het beschermingsniveau voor de bewoners.

Woning met molenHieronder vindt u informatie over:

Definitie geurgevoelig object

Uit artikel 1 Wgv geeft de definitie van geurgevoelig object. Daaruit blijkt dat het moet gaan om:

Gebouw

Het moet gaan om een gebouw. Een terrein krijgt onder de Wgv geen bescherming. In de bouwregelgeving is een gebouw: elk bouwwerk, dat

  • voor mensen toegankelijk is
  • overdekt is en
  • helemaal of voor een deel met wanden omsloten is

(vergelijk artikel 1 van de Woningwet). Gebouwen zijn bijvoorbeeld woningen, woonboten (met vaste ligplaats) en woonwagens (met vaste standplaats), maar ook andere gebouwen, zoals kantines of kantoren.

Bestemd voor bewoning of verblijf

Een gebouw moet niet alleen feitelijk voor menselijk wonen of verblijven zijn bedoeld, maar die functie moet ook juridisch-planologisch zijn toegestaan. Gebouwen die in strijd met (een vrijstelling van) het bestemmingsplan worden gebruikt, krijgen geen bescherming tegen geurhinder. De eis dat de bestemming bewoning of verblijf moet toestaan, stond al in de Wgv, maar is vanaf 1 januari 2013 toegevoegd met wat 'bestemd voor wonen of verblijf' betekent (met inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen).

Geschikt voor bewoning of verblijf

Een gebouw moet niet alleen bestemd, maar ook geschikt zijn om in te wonen of te verblijven. Deze voorwaarde voorkomt bescherming van bijvoorbeeld een half ingestorte woning. En hij kan u ook houvast bieden bij de vraag, welke delen van een gevoelig object bescherming moeten krijgen. Zo krijgt een garage bij een woning geen bescherming. Ook niet als de garage een vaste constructie vormt met de woning, behalve als de garage in open verbinding staat met de woning.

Permanent - of daarmee vergelijkbaar- gebruik

Het gebouw moet verder feitelijk zijn bedoeld en worden gebruikt voor wonen of verblijf. Het maakt niet uit of een en dezelfde persoon of verschillende personen in het gebouw wonen of verblijven. Ook maakt niet uit wat het aantal mensen is. Het gaat om de verblijfsduur - de Wgv beschermt alleen mensen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder.
Dit volgt uit de parlementaire behandeling en vooral aangenomen amendement van Van der Vlies c.s. Daarmee is besloten de term ‘regelmatig' uit de definitie weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19). In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond de toevoeging: ‘of regelmatig verblijf'. Dat is vervangen door de woorden: ‘of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik'.
De Memorie van Toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel gaat alleen in op ‘permanent of regelmatig verblijf'. Permanent staat voor ‘niet tijdelijk, voortdurend, niet veranderend, steeds doorgaande en bedoeld om te blijven'. ‘Bedoeld om te blijven' (of anders gezegd: ‘bedoeld om te wonen of te verblijven') impliceert dat het gaat om gebouwen waarin mensen structureel wonen en verblijven, gezien de aard van het gebouw. Er is geen toelichting op het aangenomen amendement. U zult zelf moeten beoordelen wanneer sprake is van 'een vergelijkbare wijze van gebruik'.

Jurisprudentie
Er is veel jurisprudentie over het begrip geurgevoelig object.

Bebouwde kom

De Wgv geeft geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom meer bescherming dan erbuiten. Wat is nu de bebouwde kom? De Wgv geeft geen definitie van het begrip ‘bebouwde kom'. De Wegenverkeerswetgeving bepaalt niet de grens van de bebouwde kom. Net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt.
Als bebouwde kom is volgens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv aan te merken: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft' en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven." Verder staat er, dat de grens van de bebouwde kom ‘niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur.'
Met artikel 19 lid 3 Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) kunnen B&W vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan. Namelijk voor gebouwen en bouwwerken zoals aangegeven in artikel 20 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat maakt een onderscheid tussen gebouwen binnen of buiten de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom zijn de uitbreidingsmogelijkheden aanzienlijk beperkter dan binnen de bebouwde kom.
In de praktijk komt het voor, dat een gemeentebestuur met artikel 19 lid 3 WRO een besluit neemt over de omvang van de bebouwde kom en daarbij in een aanwijzingsbesluit een gebied aanwijst. Vaak staat dan op een kaart waar de bebouwde komgrens precies loopt. Hiermee is duidelijk welk regime van de bouwverordening en de Woningwet van toepassing is.
Het lijkt logisch om hierbij ook voor de Wgv aansluiting bij te zoeken. Maar als in een specifiek geval de rechter zich moet uitspreken of sprake is van een bebouwde kom, zal deze toch kijken naar de feitelijke aard. De rechter vormt zijn eigen oordeel en is niet gebonden aan het gemeentelijke aanwijzingsbesluit. De aard van de omgeving is bepalend - niet de plek van het verkeersbord of de grenslijn van verkeerstechnische aard. Wel moet in ieder geval sprake zijn van een structurele samenhang van de bebouwing - bijvoorbeeld een aaneengesloten woonbebouwing.

Er is jurisprudentie over wanneer wel en niet sprake is van bebouwde kom.

(Afgesplitste) agrarische bedrijfswoningen

Voor afgesplitste) agrarische bedrijfswoningen, hangt het van de situatie af, welke bescherming deze krijgen.

Ruimte-voor-ruimtewoningen

Voor ruimte-voor-ruimtewoningen gelden altijd vaste afstanden, ook voor dieren met geuremissiefactoren. Ruimte-voor-ruimtewoningen zijn woningen (en andere geurgevoelige objecten) die voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • gebouwd na 19 maart 2000
  • op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij
  • waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, én
  • waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt

In de handreiking vallen deze geurgevoelige objecten onder type a. Als een geurgevoelige object niet aan deze voorwaarden voldoet, dan valt hij onder type e.

Bedrijfswoningen van andere veehouderijen

Voor bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) die onderdeel zijn van andere veehouderijen gelden altijd vaste afstanden, ook voor dieren met geuremissiefactoren. In de handreiking vallen deze geurgevoelige objecten onder type b.

Voormalige bedrijfswoningen bij andere veehouderijen

Voor voormalige bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) bij andere veehouderijen, gelden vaste afstanden, ook bij dieren met geuremissiefactoren, als de woning op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van de veehouderij. Dit kan zijn omdat de woning is afgesplitst, maar het kan ook zijn dat de veehouderij-activiteiten zijn gestaakt. In de handreiking vallen deze geurgevoelige objecten onder type c. Wat de planologische bestemming is van de woning is niet bepalend. Geurgevoelige objecten die vóór 19 maart 2000 al geen deel uitmaakten van een andere veehouderij, vallen in deze handreiking onder type d.Er is jurisprudentie over wanneer sprake is van 'een woning die heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij'.

De (afgesplitste) eigen bedrijfswoning

Een eigen bedrijfswoning (met bestemming 'bedrijfswoning') krijgt géén bescherming tegen de eigen stallen. De reden is dat de Wet milieubeheer (en daarmee de Wgv) uitsluitend de gevolgen van een inrichting (in dit geval een veehouderij) voor de omgeving regelt. Deze geurgevoelige objecten blijven in deze handreiking verder buiten beschouwing.
Voor afgesplitste eigen bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) is de planologische bestemming bepalend. Zolang deze afgesplitste woning (of ander geurgevoelig object) de bestemming 'bedrijfswoning' heeft, krijgt hij geen bescherming. Deze geurgevoelige objecten blijven in deze handreiking verder buiten beschouwing. Als de gemeente de afgesplitste woning herbestemt als 'plattelandswoning' of 'voormalige eigen bedrijfswoning', krijgt de woning ook geen bescherming (tegen de voormalige eigen stallen). Als een dergelijke woning wordt herbestemd als burgerwoning krijgt de woning wel bescherming (tegen de voormalige eisen stallen). De gemeente kan dus via de planologische bestemming bepalen of een afgesplitste woning (of ander geurgevoelig object) bescherming krijgt. Deze mogelijk bestaat sinds inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen.

Stel een woning heeft planologisch de bestemming 'bedrijfswoning' en wordt bewoond door derden en is ook als 'woning van derden' in de aanvraag omgevingsvergunning opgenomen. Deze woning krijgt geen bescherming tegen de eigen voormalige stallen omdat de planologische bestemming bedrijfswoning bij de veehouderij is.


Uw onderwerpen