Emissiegrenswaarden lucht

In artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit staan de algemene emissiegrenswaarden die gelden voor emissies naar de lucht. Dit artikel onderscheid verschillende stofcategorieën. Verdere onderverdeling van deze categorieën in stofklassen is op basis van hun chemische, fysische en toxicologische eigenschappen. Ook de technische mogelijkheden voor emissiebeperking kan bepalend zijn voor de klasse-indeling. De emissiegrenswaarden en grensmassastromen zijn afhankelijk van de klasse waarin een stof zit.

In welke klasse is een stof ingedeeld?

Het bevoegd gezag bepaalt volgens de stappen hieronder in welke klasse en stofcategorie een bepaalde stof valt. Dit bepaalt welke emissiegrenswaarde geldt.

  • Beoordeel eerst of de individuele stof staat in bijlage 12a of bijlage 12b van de Activiteitenregeling. Een stof kan onder verschillende namen bekend zijn. De stoffenlijst in de Activiteitenregeling noemt deze synoniemen niet. Gebruik daarom het CAS-nummer om te bepalen of de stof individueel is ingedeeld in een klasse.
  • Is de stof niet individueel ingedeeld, controleer dan of de stof onder één van de stofgroepen valt die in bijlage 12a of bijlage 12b van de Activiteitenregeling. Valt de stof onder een stofgroep, hou dan de klasse-indeling aan waarin deze stofgroep valt.
  • Is een bepaalde stof ook niet onder een stofgroep onder te brengen, dan bepaalt het bevoegd gezag zelf in welke klasse deze stof moet vallen. Hiervoor kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij het RIVM.

Zoeken met behulp van de stoffendatabase is ook mogelijk.

Voorbeeld stofgroep

In een stofgroep vallen meerdere verwante individuele stoffen. Een stofgroep heeft vaak geen CAS-nummer. Zo staat in bijlage 12 van de Activiteitenregeling de stofgroep aromatisch koolwaterstofmengsel. Deze stofgroep is ingedeeld in de stofklasse gO.2. Benzeen behoort ook tot de stofgroep aromatisch koolwaterstofmengsel. Maar benzeen is ook individueel ingedeeld, namelijk in de stofklasse MVP2. Voor benzeen geldt dus de emissiegrenswaarde van stofklasse MVP2 en niet de emissiegrenswaarde van stofklasse gO.2.

Vezelvormig stof

In bijlage 12 van de Activiteitenregeling komt het woord vezel voor. Onder vezel wordt verstaan een deeltje met een lengte groter dan 5 μm, een breedte van minder dan 3 μm en een lengte/breedte-verhouding van meer dan 3:1. (Richtlijnen van de Raad van Europese Gemeenschappen van 19 maart 1987; 87/217/EEG).

Brongegevens

De vergunningaanvraag moet informatie geven over de bronnen, de samenstelling, de hoeveelheden en de concentraties van de emissies. Deze informatie heeft het bevoegd gezag nodig om de emissies naar de lucht te kunnen beoordelen. De basis hiervoor is artikel 4.1 lid 1 en artikel 4.17 van de Regeling omgevingsrecht en artikel 2.4 lid 2 van het Besluit omgevingsrecht.

Toezicht bij meldingsplichtige bedrijven gebeurt vaak aan de hand van maatregelen in plaats van emissies. Als dat toch nodig is, kan het bevoegd gezag voor type B bedrijven de informatie opvragen op basis van artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.

Uit de informatie moet het effect van eventueel aanwezige nageschakelde technieken op de emissie te berekenen zijn op basis van een bepaling van de gereinigde emissie of van het rendement van de toegepaste reinigingstechniek.

Emissies

De emissie is de uitworp van één of meer verontreinigende stoffen naar de lucht. De emissie is uitgedrukt in de vorm van een concentratie (in mg/m3) of een vracht (in kg/uur). Toets de emissieconcentratie aan de emissiegrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Toets de emissievracht aan de grensmassastroom.

Emissiebron of emissiepunt

Er is een verschil tussen emissiebronnen en emissiepunten. Bij een emissiebron gaat het om de positie in het proces waar de emissie ontstaat. Bij een emissiepunt gaat het om de locatie waar de emissie(s) uiteindelijk in de buitenlucht uitkomen. Meerdere bronnen kunnen zo via eenzelfde emissiepunt emitteren.

Emissies van meerdere bronnen

De gereinigde vrachten van alle bronnen binnen het gehele bedrijf tellen mee bij het bepalen van de omvang van de emissies. Het kan voorkomen dat een bedrijf uit verschillende onafhankelijke onderdelen bestaat. In dat geval kan het redelijk zijn de totale emissie per afzonderlijk bedrijfsonderdeel te bepalen.

Op- en overslag, intern transport

Het bevoegd gezag kan op- en overslag en intern transport beschouwen als afzonderlijke activiteiten. De activiteiten zijn dan eenduidig, ruimtelijk gescheiden van proceseenheden en niet onlosmakelijk hieraan verbonden. De aanpak van deze emissie is in het algemeen anders dan de aanpak van procesemissies. Het bevoegd gezag beoordeelt deze daarom vaak afzonderlijk.

Interne transportbanden, dagtanks en tanks voor hulpstofrecirculatie zijn voorbeelden van activiteiten die vaak wel onlosmakelijk in verbinding staan met de proceseenheid. Het bevoegd gezag beoordeelt de emissies van deze activiteiten dan ook samen met de procesemissies.

Emissies van meerdere stoffen

Bij het bepalen van de vracht van de emissie worden alle emissiestromen van een bepaalde chemische stof of groep van stoffen opgeteld. De totale emissie die binnen een tijdvak van één uur kan optreden is maatgevend. De sommatiebepaling regelt de wijze van optelling van de emissies van verschillende stoffen of meerdere bronnen.

De sommatiebepaling is het optellen van gelijktijdig optredende emissies van verschillende stoffen binnen een klasse of een stofcategorie. De emissies van alle bronnen binnen het gehele bedrijf tellen mee bij toetsing aan de grensmassastroom. De gesommeerde emissie kan de grensmassastroom van die klasse overschrijden. In dat geval is de eis per bron van toepassing op de gezamenlijke concentratie van alle tot die klasse behorende stoffen.

Sommatiebepaling

De sommatiebepaling geldt voor de categorieën ZZS, sA, gO, sO en S. Dit staat in artikel 2.5 lid 1, 2 en 4 van het Activiteitenbesluit. Bij de sommatiebepaling gaat het om het optellen van emissievrachten en emissieconcentraties voordat toetsing aan de grensmassastroom en de emissiegrenswaarde plaatsvindt.

De sommatiebepaling geldt niet voor stoffen in de categorie gA. Er zijn grote verschillen in chemische en fysische eigenschappen tussen de verschillende gasvormige stoffen in de categorie gA. Hierdoor is het in de praktijk vaak niet mogelijk om de emissies van verschillende stoffen in klasse gA gelijktijdig in dezelfde reinigingsinstallatie af te vangen. Daarom vindt beoordeling van deze stoffen en de benodigde bestrijdingsmaatregelen afzonderlijk per stof plaats.

Grensmassastroom

De gedachte achter de grensmassastroom is simpelweg dat het niet zinvol is om veel moeite te doen om kleine emissies aan te pakken. Het Activiteitenbesluit kent dus drempelwaarden die de grens markeren tussen 'wel de moeite waard om aan te pakken' en 'niet de moeite waard'. Deze drempelwaarde is de grensmassastroom.

Is de omvang van de emissie (vracht) van een bepaalde stof groter dan de waarde van de grensmassastroom, dan is de emissie milieuhygiënisch relevant. Maatregelen liggen dan voor de hand. Is de omvang van de vracht kleiner, dan niet. Een uitzondering hierop vormen stof emissies (klasse S en sO). Stofemissies zijn altijd relevante emissies.

Bepalen van de emissievracht

Vaststelling van de emissievracht kan door metingen, door het opstellen van massabalansen of door gebruik te maken van emissiefactoren. De maatgevende emissie hierbij is de hoogste massastroom die onder normale bedrijfsomstandigheden binnen één uur kan optreden.

Bij toetsen aan de grensmassastroom past het bevoegd gezag de sommatiebepaling toe. Het bevoegd gezag telt hiervoor de emissies van alle bronnen binnen het bedrijf die behoren tot dezelfde stofklasse bij elkaar op. Ook bronnen die onder de vrijstellingsbepaling vallen tellen mee bij toetsen aan de grensmassastroom. Ook bronnen waarvoor emissiegrenswaarden uit Hoofdstuk 3, 4 of 5 tellen mee bij toetsen aan de grensmassastroom. De emissies van diffuse bronnen tellen niet mee.

Deze totaalvracht toetst het bevoegd gezag aan de grensmassastroom die bij deze klasse hoort. De maximale totale emissie die onder normale procesomstandigheden binnen één bedrijfsuur kan optreden vanuit het bedrijf is daarbij maatgevend.

De categorieën ZZS, sA en gO hebben meerdere klassen binnen een categorie. Het bevoegd gezag voert in deze gevallen ook de sommatiebepaling over de categorie uit. Dit staat in artikel 2.5 lid 4 van het Activiteitenbesluit. Het kader legt in een voorbeeld uit hoe de sommatiebepaling over een categorie werkt.

Sommatiebepaling bij toetsing aan de grensmassastroom

De sommatiebepaling staat in artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit en werkt als volgt: figuur bij sommatiebepaling

  • Lid 1: Tel alle vrachten van alle bronnen met gO.1 stoffen op. Toets deze totaalvracht aan de grensmassastroom voor gO.1. Bij overschrijding geldt de emissiegrenswaarde van gO.1 per bron.
  • Lid 4a: Tel vervolgens alle vrachten van alle bronnen met gO.2 en gO.1 stoffen op. Toets deze totaalvracht aan de grensmassastroom voor gO.2. Bij overschrijding geldt de emissiegrenswaarde van gO.2 per bron.
  • Lid 4b: Tel tot slot alle vrachten van alle bronnen met gO.1, gO.2 en gO.3 stoffen op. Toets nu deze totaalvracht aan de grensmassastroom voor gO.3. Bij overschrijding geldt de emissiegrenswaarde van gO.3 per bron.

Emissiegrenswaarden

De emissiegrenswaarden uit het Activiteitenbesluit gelden als sprake is van een relevante emissie naar de lucht. Hiervoor toetst het bevoegd gezag de emissies aan de grensmassastroom. Als de emissie de grensmassastroom overschrijdt dan zijn de emissiegrenswaarden van deze klassen van toepassing. Deze emissiegrenswaarden gelden voor elke bron afzonderlijk.

Bij overschrijding van de grensmassastroom moeten de opgetelde emissieconcentraties van deze stoffen per bron, voldoen aan de emissiegrenswaarde van die klasse.

Deze emissiegrenswaarde geldt dus:

  • als de emissie van één enkele stof de grensmassastroom overschrijdt;
  • als de emissie van de individuele stoffen onder de grensmassastroom blijft, maar de som van de emissies de grensmassastroom wel overschrijdt. In dit laatste geval moet dan de som van de emissieconcentraties van deze stoffen aan de emissiegrenswaarde voldoen.

Een uitzondering hierop vormen de bronnen die nauwelijks bijdragen aan de jaarlijkse uitstoot. Artikel 2.6 van het Activiteitenbesluit noemt hiervoor drempelwaarden. Blijft een bron onder deze drempelwaarde dan geldt de emissiegrenswaarde niet voor deze bron. Dit is de vrijstellingsbepaling.

Bij toetsing aan de grensmassastroom, gaat het om de grootste waarde die de uurgemiddelde emissie kan hebben. Het is niet de bedoeling de emissie over meer dan een uur te middelen voor toetsing aan de grensmassastroom. Lange middelingstijden kunnen namelijk leiden tot te lage waarden voor de maximale emissie, wat een versoepeling van de eisen kan inhouden. Dit is in strijd met de kern van de milieuwetgeving, namelijk het zoveel mogelijk reduceren van de emissievracht.

Er geldt geen emissiegrenswaarde als de emissie de grensmassastroom niet overschrijdt. Een uitzondering hierop vormt de stofklasse S en sO. Blijft de emissie onder de grensmassastroom van de stofklasse S of sO, dan geldt een lagere emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3.

De emissiegrenswaarden zijn te beschouwen als bovengrens voor de halfuurgemiddelde concentratie. Alleen de luchtstroom die nodig is voor het proces telt mee bij het bepalen van de concentratie in de afgassen. De emissiegrenswaarden gelden dus voor de emissies zonder extra verdunning met lucht.

Als een bron meerdere stoffen tegelijk uitstoot, geldt ook bij het beoordelen van de emissieconcentratie de sommatiebepaling.

Sommatiebepaling bij toetsing aan de emissiegrenswaarde

Sommatiebepaling over concentraties: figuur bij sommatiebepaling

  • Toets de gezamenlijke concentratie van alle gO.1 stoffen aan de emissiegrenswaarde voor gO.1.
  • Toets de gezamenlijke concentratie van alle gO.1 en gO.2 stoffen aan de emissiegrenswaarde voor gO.2.
  • Toets de gezamenlijke concentratie van alle gO.1, gO.2 en gO.3 stoffen aan de emissiegrenswaarde voor gO.3.

Verdunning met lucht

De emissiegrenswaarden gelden voor de emissies zonder extra verdunning met lucht. Dus, de bepaling van de concentraties in de afgassen is op basis van alleen de luchtstroom die nodig is voor het reguliere proces.

Luchtstromen die het bedrijf ter verdunning, koeling of anderszins met deze afgasstroom mengt of via hetzelfde emissiepunt afvoert, tellen niet mee. Ook het combineren van afgasstromen op één gemeenschappelijke schoorsteen moet als ‘verdunning' worden beschouwd. Als er sprake is van verdunning, dan vindt hiervoor een correctie plaats.

Vrijstellingsbepaling

Een bron die nauwelijks bijdraagt in de jaarlijkse uitstoot, hoeft niet te voldoen aan de emissiegrenswaarden uit artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit. Dit staat in artikel 2.6 van het Activiteitenbesluit: de vrijstellingsbepaling. Deze vrijstelling kan ook gelden voor individuele kleine bronnen bij de activiteiten in hoofdstuk 3 en 4 van het Activiteitenbesluit. Voorwaarde is wel dat bij die activiteiten staat dat artikel 2.6 onverminderd van toepassing is.

Overigens tellen deze kleine bronnen wel mee bij de sommatiebepaling om te bepalen of de emissie de grensmassastroom overschrijdt.

Puntbron of diffuse bron?

Er bestaan verschillende typen van emissiepunten. De twee hoofdtypen zijn:

  • gekanaliseerde emissiepunten (puntbronnen)
  • diffuse emissiepunten

Gekanaliseerde emissiepunten zijn bijvoorbeeld schoorstenen, pijpen en uitmondingen. Ook (mechanische) ruimteventilatie is een gekanaliseerde emissie. Bij mechanische ruimteventilatie worden veelal de in een ruimte diffuus ontstane emissies afgevoerd. De kenmerken van ruimteventilatie zijn daarom relatief grote debieten en lage concentraties. In geval van direct bij de bron afgezogen emissies gaat het juist om relatief lage debieten en hoge concentraties.

Diffuse emissiepunten zijn emissies door het lekken van afsluiters en flenzen en dergelijke, (natuurlijk) geventileerde ruimtes, oppervlakte bronnen (zoals een beluchtingstank) en lijnbronnen.

Diffuse emissies

De emissiegrenswaarden uit artikel 2.5 richten zich op maatregelen bij puntbronnen. Diffuse emissies tellen daarom niet mee bij toetsing aan de grensmassastroom. Het bevoegd gezag beoordeelt de diffuse emissies apart van de emissies van puntbronnen.

Beperking van diffuse emissies vindt zoveel mogelijk plaats door good housekeeping en preventieve maatregelen. De diffuse emissies die deze maatregelen niet beperken, moet het bedrijf in overeenstemming met BBT zoveel mogelijk afvoeren door gerichte afzuiging. De emissies van die afzuiging samen met de emissies van afblaaspunten van de ruimteventilatie is te zien als puntbronnen.