Maximale geurbelasting dieren met geuremissiefactor

kippen meer witVoor dieren met geuremissiefactor gelden in de regel maximale waarden voor geurbelasting. Deze waarden gelden niet voor alle typen geurgevoelige objecten. Bij de maximale geurbelasting gaat het alleen om de geurbelasting van dierenverblijven.

Toetsing

De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per m3 lucht. Artikel 3 lid 1 Wgv geeft de maximale waarden voor geurbelasting. Zo mag bijvoorbeeld de geurbelasting op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied binnen de bebouwde kom hoogstens 3,0 odour units zijn. Hoe u de geurbelasting berekent, volgt uit:

U voert alle bronnen en geurgevoelige objecten met bijbehorende waarde voor de geurbelasting in V-Stacks vergunning. Dan berekent het programma de geurbelasting op de verschillende geurgevoelige objecten en toetst deze aan maximale toegestane geurbelasting. In V-Stacks vergunning moet u gegevens invoeren van de bronnen (de stallen) en de geurgevoelige objecten. Welke gegevens u moet invoeren, leest u in de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning.

Rekenpunten

Het gaat om de geurbelasting op de buitenzijde van het geurgevoelige object. De geurbelasting geldt vanaf het emissiepunt van het dierenverblijf.

Niet voor alle dieren en niet voor alle geurgevoelige objecten

De maximale waarde voor geurbelasting geldt nooit voor dieren zonder geuremissiefactor. Verder geldt hij niet voor de volgende typen geurgevoelige objecten:

  • ruimte voor ruimtewoning (en soortgelijk geurgevoelig object)
  • bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij
  • voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) dat op of na 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij

Voor deze typen geurgevoelige objecten is de norm (maximale geurbelasting) vervangen door vaste minimumafstanden. Het gaat dus om dieren met geuremissiefactoren, waarvoor vaste minimumafstanden gelden.

Bijvoorbeeld een woning bij een andere veehouderij is afgesplitst op 1 januari 1998 (dus vóór 19 maart 2000), dan geldt de maximale waarde voor geurbelasting. Stel de woning is afgesplitst op 1 mei 2013: dan gelden minimumafstanden.

Stand still

Als de veehouder de maximale waarde voor geurbelasting overschrijdt, hoeft u niet altijd de omgevingsvergunning milieu te weigeren. Vergunningverlening is mogelijk bij stand still van artikel 3 lid 3 Wgv en de 50/50-regeling van artikel 3 lid 4 Wgv.

Andere waarden in verordening

Het is mogelijk om in een gemeentelijke verordening andere waarden voor geurbelasting op te nemen. Het bevoegde gezag toetst dan aan deze waarden.

Toetsing in detail

Hieronder leest u meer over:

  1. Geuremissie berekenen
  2. Emissiepunt bepalen
  3. Geurgevoelige objecten in kaart brengen
  4. Waarde voor de geurbelasting
  5. Toetsing van de geurbelasting

1. Geuremissie berekenen

U berekent de geuremissie van een dierenverblijf door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de geuremissiefactor. De geuremissiefactor geeft in een getal de geuremissie per dier van een bepaalde diercategorie aan, en houdt daarbij rekening met het stalsysteem en eventueel aanwezige luchtbehandelingstechnieken (zoals luchtwassers). Dus: aantal dieren maal de geuremissiefactor = de geuremissie vanuit een dierenverblijf. Zo kunt u de geuremissie van elk afzonderlijk dierenverblijf berekenen. De geuremissiefactoren staan limitatief in bijlage 1 van de Rgv. U vindt een overzicht van alle geuremissiefactoren (en die van ammoniak en fijnstof) op de pagina Overzicht van alle stalbeschrijvingen.

Artikel 3 lid 1 Wgv spreekt over ‘geurbelasting van de veehouderij'. De term "geurbelasting van de dierenverblijven' zou juister zijn geweest, omdat de andere geurbronnen die op een veehouderij aanwezig (kunnen) zijn, in de berekening buiten beschouwing blijven. Omdat niet alle geurbronnen meetellen, zal waarschijnlijk ook sprake zijn van een onderschatting van de geurbelasting. Deze veronderstelling is echter niet relevant voor de berekeningen.

2. Emissiepunt bepalen

U mag in V-Stacks vergunning maar één emissiepunt per dierenverblijf invoeren. Voor dat punt moet u uitgaan van het geometrisch gemiddelde van de verschillende emissiepunten van de stal (artikel 2 lid 2 Rgv). Dit kan (volgens paragraaf 3 van de toelichting op de oorspronkelijke tekst van de Rgv) betekenen dat u daarvoor een punt (de toelichting noemt dat herhaaldelijk ten onrechte een ‘emissiepunt') moet kiezen ‘waaruit feitelijk geen emissie plaatsvindt'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij vier ventilatoren in lijnopstelling of als de ventilatieopeningen op de vier hoeken van de stal liggen. U hoeft de relatieve bijdrage van de ventilatoren of ventilatieopeningen niet te bepalen, als alle ventilatoren en ventilatieopeningen worden geacht een even grote bijdrage te leveren aan de geuremissie.

Als blijkt dat vanuit een bepaalde ventilator of ventilatieopening geen geuremissie zal plaatsvinden, dan kunt u die ventilator of ventilatieopening buiten beschouwing laten. Bijvoorbeeld als de veehouder een afgescheiden deel van het stalsysteem structureel gebruikt als opslag voor landbouwvoertuigen. Of bijvoorbeeld een ventilator die maar af en toe in gebruik is en die vrijwel niets zal bijdragen aan de uitstoot van de geuremissie.

Het geometrisch gemiddelde is per definitie een punt op een stal. Bij het bepalen van dat punt blijft de uitloop bij het stalsysteem buiten beschouwing. Dit is alleen anders in het zeldzame geval dat een dierenverblijf uitsluitend bestaat uit een open ruimte, zonder stal of overdekking. In dat geval is het emissiepunt de begrenzing van het dierenverblijf (meestal een omheining of watergang), dat het dichtst bij een geurgevoelig object ligt.

Hier gaat hier om het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten.
Maar bij het bepalen of de veehouder voldoet aan de minimumafstand tot geurgevoelige objecten bij andere (voormalige) veehouderijen, gaat het om het dichtstbijzijnde emissiepunt van zijn dierenverblijf. Dat geldt ook voor de minimumafstand tot ruimte-voor-ruimtewoningen.

3. Geurgevoelig objecten in kaart brengen

Om te bepalen welke maximale waarden voor geurbelasting gelden, is de ligging van een geurgevoelig object van belang:

  • binnen of buiten de bebouwde kom, en
  • binnen of buiten een concentratiegebied.

Een concentratiegebied is volgens artikel 1 Wgv: ‘concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.' In bijlage 4 van deze handreiking vindt u de gebieden van bijlage I van de Meststoffenwet. Los daarvan kan de gemeente dus ook concentratiegebieden aanwijzen in de gemeentelijke verordening. Andersom (een concentratiegebied van bijlage I van de Meststoffenwet aanwijzen als niet-concentratiegebied) is niet mogelijk.

De aanwijzing in de gemeentelijke verordening is uitsluitend relevant voor toepassing van de Wgv en heeft geen effect voor bijvoorbeeld het reconstructieplan. De basis voor het aanwijzen van concentratiegebieden in de gemeentelijke verordening is artikel 1 Wgv . Daarin staan geen criteria. Dat is anders dan bij de verordening op grond van artikel 6 Wgv - dat artikel bevat wel criteria. Dat er geen criteria in artikel 1 Wgv staan, neemt niet weg dat de gemeente de aanwijzing van concentratiegebieden moet motiveren. De bevoegdheid van om concentratiegebieden aan te wijzen, is tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de Wgv gekomen.

4. Waarde voor de geurbelasting

Als de ligging van de geurgevoelige objecten bekend is, kunt u per geurgevoelig object bepalen welke waarde van geurbelasting maximaal is toegestaan. Het gaat om de waarde van de geurbelasting op de buitenzijde van het geurgevoelige object. Deze maximale waarde voor de geurbelasting staat in artikel 3 lid 1 Wgv. De maximale waarde wordt uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (ouE/m3). Voor de geurbelasting gaat de wet uit van gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent: 98 procent van het jaar geen overschrijding van de berekende geurconcentratie (ouE/m3; P98).

Waarde geurbelasting

Ligging geurgevoelig object

Maximale geurbelasting in ouE/m3

Concentratiegebied, binnen bebouwde kom

3,0

Concentratiegebied, buiten bebouwde kom

14,0

Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom

2,0

Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

8,0

5. Toetsing van de geurbelasting

Als alle gegevens bekend zijn, kunt u deze invoeren in V-Stacks vergunning. Dan kunt u de berekening uitvoeren, zodat u de geurbelasting op de geurgevoelige objecten weet. Uit de berekening blijkt of de veehouder aan de waarde voor de geurbelasting kan voldoen. Als de berekende geurbelasting hoger is dan deze waarde, dan moet het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu weigeren. Er is dan sprake van een overbelaste situatie. In twee gevallen hoeft u de omgevingsvergunning milieu niet te weigeren:

  1. de geurbelasting neemt niet toe én het aantal dieren van een of meer diercategorieën neemt niet toe: stand-still (artikel 3 lid 3 Wgv)
  2. de geurbelasting neemt af door een geurbelastingreducerende maatregel: de 50/50-regeling (artikel 3 lid 4 Wgv)

a. Stand-still van artikel 3 lid 3 Wgv

De Wgv kent geen 'saneringsverplichting' - veehouders met bestaande overbelaste situaties hoefden deze niet direct na inwerkingtreding van de Wgv actief ongedaan te maken (aldus de Memorie van Toelichting). Met dat uitgangspunt is het begrijpelijk, dat het verlenen van een omgevingsvergunning milieu mag, als de aanvraag niet ‘geurrelevant' is. Dat wil zeggen: als verlening van de omgevingsvergunning milieu niet leidt tot toename van de geurbelasting en niet tot een toename van het aantal dieren. Ook al is de geurbelasting in odour units te hoog. Dit kan bijvoorbeeld spelen als de aanvraag niet ziet op het wijzigen van het aantal dieren en het stalsysteem, maar het zou ook kunnen spelen bij wijziging van een stalsysteem (lagere geurbelasing).

Eén van de twee voorwaarden is dat het aantal dieren 'van een of meer diercategorieën' niet toeneemt. Dat betekent dat uitbreiden in dieren met geuremissiefactoren niet mogelijk is, tenzij de veehouder de 50/50-regeling toepast. Uitbreiden in dieren zonder geuremissiefactoren kan wel mogelijk zijn omdat u dit apart moet beoordelen.

b. 50/50-regeling van artikel 3 lid 4 Wgv

Voorwaarde van de 50/50-regeling is dat de veehouder een geurbelastingreducerende maatregel toepast, zodat de geurbelasting vermindert. De overbelaste situatie blijft bestaan, alleen in mindere mate. Deze zogenoemde 50/50-regeling komt op het volgende neer: u bepaalt op grond van het aantal vergunde dieren het effect van de te treffen geurbelastingreducerende maatregel. Maximaal de helft van dit effect mag de veehouder gebruiken voor uitbreiding van het veebestand, de andere helft komt ten goede aan het geurgevoelig object (vermindering geurbelasting). Als de veehouder bij de aanvraag om omgevingsvergunning niet de hele toegestane uitbreiding benut, houdt niet in dat hij de rest van deze uitbreiding op een later tijdstip kan gebruiken. Als hij daarna een aanvraag indient, moet deze weer voldoen aan de eisen van de Wgv.

Wat zijn geurbelastingreducerende maatregelen? Geurbelastingreducerende maatregelen werden vroeger ook wel stankemissiereducerende maatregelen genoemd. Het kan gaan om bijvoorbeeld:

  • technische maatregelen: bijvoorbeeld een luchtwasser of een geuremissiearm stalsysteem
  • dieren wegdoen (ABRvS,200505617/1 van 17 mei 2006, Nederweert)
  • emissiepunt verplaatsen of verhogen

De veehouder moet zelf de maatregel aanvragen. Het bevoegd gezag kan deze maatregelen in het algemeen niet voorschrijven, omdat daarmee al snel de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. Een uitzondering daarop is het voorschrijven van maatregelen voor het behalen van BBT, dat volgt uit artikel 2.31a Wabo.
Het vervangen van dieren door een andere diersoort is op zich geen geurbelastingreducerende maatregel. Dit moet u zien als het wegdoen van dieren. Eerst berekent u de reductie bereikt door het wegdoen van dieren. Daarna bepaalt u wat de maximale geurbelasting mag zijn en hoeveel andere dieren in dezelfde stal mogelijk zijn.
Het verplaatsen van dieren moet u zien als het verplaatsen van het emissiepunt. Hierbij moet u de reductie berekenen die ontstaat door grotere afstand tussen emissiepunt van het dierenverblijf en het geurgevoelige object.

Zijn dit ontwikkelingen buiten de inrichting? Nee, ontwikkelingen buiten de inrichting zijn geen geurbelastingreducerende maatregelen. Ontwikkelingen buiten de inrichting (zoals de sloop van woningen) leiden er toe dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten (zoals de gesloopte woningen) niet meer bepalend is voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning milieu aan de veehouderij. De geurbelasting op andere geurgevoelige objecten is dan bepalend. Zulke externe ontwikkelingen (slopen van enkele geurgevoelige objecten) hebben geen geurreducerend effect op de overgebleven geurgevoelige objecten. Daarom zijn het geen geurbelastingreducerende maatregelen. U moet namelijk de geurbelasting van de bestaande situatie vergelijken met de geurbelasting van de bestaande situatie inclusief de maatregel. Door de maatregel (slopen woningen) is er geen geurbelasting meer op betreffende woning, omdat die woning er niet meer is. Deze maatregel heeft echter geen enkele invloed op andere nabijgelegen woningen. Het is wel mogelijk dat door ontwikkelingen buiten de inrichting (zoals het slopen van huizen), een overbelaste situatie wordt opgeheven, zodat de veehouder kan voldoen aan de norm van artikel 3 lid 1 Wgv. Als alleen de gesloopte woning overbelast was, dan is na sloop geen enkel geurgevoelig object meer overbelast en is vergunningverlening mogelijk. Maar als er nog een woning overbelast is, dan zijn geurbelastingreducerende maatregelen noodzakelijk om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. Dat een andere overbelaste woning er niet meer is, doet daar niets aan af.

Een voorbeeld 50/50-regeling. De norm is 8 ouE/m3. Er zijn vier geurgevoelige objecten.
Het eerste (zwarte) cijfer is de berekende geurbelasting in de bestaande situatie: de woningen a, b en c zijn overbelast.
Het tweede (groene) cijfer geeft de geurbelasting na het treffen van een geurbelastingreducerende maatregel, maar nog zonder de eventuele extra uitbreiding.
Het derde (rode) cijfer is de maximale geurbelasting die u kunt vergunnen met artikel 3 lid 4 Wgv. Bij alle overbelaste woningen moet de veehouder voldoen aan de geurbelasting in rood.plaatje 50%

De 50/50-regeling staat in eenvoudiger vorm in artikel 3.115 lid 2 van het Activiteitenbesluit. Meer informatie hierover vindt u bij Geurvoorschriften en het houden van landbouwhuisdieren.


Wat zijn geurgevoelige objecten?

Platteland in de winter