Bijlage 10 bij de Activiteitenregeling

De erkende maatregelen voor energiebesparing hebben als doel om op een eenvoudige en praktische manier energiebesparing te bereiken. Het geeft de drijver en het bevoegd gezag meer duidelijkheid over de gewenste bescherming van het milieu.

De eerste erkende maatregelenlijsten zijn in 2015 tot stand gekomen. Dit was een samenwerking tussen vertegenwoordigers van het bevoegd gezag, de omgevingsdiensten en koepel- en brancheorganisaties. Hierbij waren ook de uitvoeringsorganisaties van de ministeries Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties betrokken.

Lijsten geactualiseerd

In 2018 actualiseerde een adviesbureau de maatregelenlijsten in opdracht van RVO. De lijsten zijn in consultatie gebracht en op basis van de reacties verder verbeterd. De nieuwe lijsten traden op 1 april 2019 in werking.

Voor 19 bedrijfstakken zijn er erkende maatregelen energiebesparing:

  • Metalelektro en mkb-metaal
  • Autoschadeherstelbedrijven
  • Gezondheids- en welzijnszorginstellingen
  • Kantoren
  • Onderwijsinstellingen
  • Commerciële datacentra
  • Rubber- en kunststofindustrie
  • Levensmiddelenindustrie
  • Agrarische sector
  • Mobiliteitsbranche
  • Sport en recreatie
  • Hotels en restaurants
  • Drukkerijen, papier en karton
  • Bouwmaterialen
  • Verf en drukinkt
  • Tankstations en autowasinrichtingen
  • Meubels en hout
  • Bedrijfshallen
  • Detailhandel

De energiebesparingsverplichting uit het Activiteitenbesluit is in de Activiteitenregeling verder uitgewerkt. De detailinformatie staat in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling en geeft op hoofdlijnen informatie over:

  • De reikwijdte van de lijsten (voor welke inrichtingen zijn de maatregelen van toepassing), via SBI-codes (Standaard BedrijfsIndeling-codes).
  • De activiteiten en maatregelen die van toepassing zijn (in een tabel).
  • De erkende maatregelen in relatie tot technieken (in een uniform format).
  • In de bijlage van de Regeling staat alleen de juridisch noodzakelijke tekst. In de Kennisbank Energiebesparing en Winst zijn de erkende maatregelen uitgebreider en toegankelijker beschreven.

Deze pagina gaat in op de volgende onderwerpen.

Reikwijdte van de erkende maatregelenlijsten

De maatregelenlijsten gelden per bedrijfstak. Bijlage 10 bij de Activiteitenregeling beschrijft deze bedrijfstakken op hoofdlijnen. Bij de indeling van deze bedrijven worden veelal SBI-codes gebruikt. Deze zijn aangegeven in de inleiding van de maatregelen per bedrijfstak in bijlage 10.

De erkende maatregelenlijst is eigenlijk een uitputtende lijst. Behalve als in bijlage 10 duidelijk staat dat dit niet het geval is. Voert de ondernemer alle maatregelen uit de lijst uit en beheert en onderhoudt hij deze maatregelen goed? Dan voldoet hij/zij aan artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit. Bij het volgen van de erkende maatregelensystematiek voldoet de drijver aan zijn besparingsverplichting.

Voor activiteiten, die bij deze bedrijfstak horen, die niet in de lijst staan, kan het bevoegd gezag geen maatregelen verlangen. Bij het opstellen van de maatregelenlijst bleek dan dat voor deze activiteiten geen maatregelen beschikbaar zijn die door de branche in vijf jaar terug te verdienen zijn. Dit wil niet zeggen dat het voor individuele ondernemers niet aantrekkelijk kan zijn om toch andere maatregelen te treffen. Dit is vrijwillig en kan het bevoegd gezag niet afdwingen.

Er kunnen ook sectorafwijkende activiteiten of gebouwen binnen de inrichting aanwezig zijn. Dit vraagt een andere aanpak om aan de besparingsverplichting te voldoen.

Activiteiten en maatregelen

De erkende maatregelen zijn vaak gekoppeld aan activiteiten met dezelfde indeling als in het Activiteitenbesluit.

Voor gebouwgebonden maatregelen en enkele bedrijfstakspecifieke maatregelen zijn geen geschikte (bestaande) activiteiten in het Activiteitenbesluit genoemd. Uitzondering hierop is ruimteverwarming met een stookinstallatie. Voor gebouwen zijn dit bijvoorbeeld maatregelen voor:

  • isolatie
  • ruimteventilatie
  • ruimteverwarming
  • ruimte- en buitenverlichtingsinstallatie

Voor faciliteiten zijn dit bijvoorbeeld maatregelen voor:

  • stookinstallatie
  • persluchtinstallatie
  • liftinstallatie

Voor processen zijn dit bijvoorbeeld maatregelen voor:

  • spuitcabine
  • oven
  • procesbaden

Format van de maatregelen in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling

Maatregelen en technieken

Er is een onderscheid tussen maatregelen en technieken. Er kunnen meerdere technieken bij een maatregel horen. Een maatregel is bijvoorbeeld het beperken van het geïnstalleerd vermogen van buitenverlichting. De techniek waarmee deze maatregel bereikt kan worden is het toepassen van een Led-lamp in bestaande armatuur of het toepassen van een natriumlamp in bestaande armatuur. De ondernemer heeft dus de keuze uit meerdere technieken om het doel te bereiken. Hij/zij kiest de techniek die het beste aansluit bij de bedrijfsvoering.

Om de gewenste energiebesparing te behalen, zijn per techniek uitgangspunten genoemd. Het gaat om:

  • Referentiesituatie
  • Technische randvoorwaarde
  • Economische randvoorwaarde
  • Zelfstandige en natuurlijke momenten
  • Alternatieve erkende maatregel
  • Bijzondere situaties

Uitgangssituatie op basis van referentietechniek

De technieken zijn doorgerekend ten opzichte van de uitgangssituatie: de te vervangen 'onzuinige' technieken of de te voorkomen of te beperken situaties. Een voorbeeld van zo'n situatie is een bedrijfshal die alleen vorstvrij wordt gehouden en waar de temperatuur in de hal 4 °C blijft. Hier hoeft de ondernemer geen maatregelen te treffen. Dat is anders als de temperatuur in deze hal continu 17 °C is. Omdat de stookkosten lager zijn in de eerste situatie is de mogelijke energiebesparing ook lager. De genoemde uitgangssituatie is dan 'Binnentemperatuur is tijdens stookseizoen en tijdens werktijden minimaal 17 °C en totaal bruto verwarmd vloeroppervlak is minimaal 150 m2'.

De uitgangssituatie kan ook een bepaalde techniek zijn. Bijvoorbeeld de techniek 'ledlamp in bestaande armatuur toepassen'. Als de huidige techniek een gloeilamp is dan bespaart men meer energie, dan in geval van een spaarlamp. De genoemde uitgangssituatie is dan 'gloeilamp is aanwezig'. Soms staan per techniek verschillende uitgangssituaties. Zijn al deze uitgangssituaties bij het bedrijf van toepassing? Dan moet het bedrijf alle 'bijbehorende' energiebesparende technieken toepassen.

Technische en economische randvoorwaarden

Het format van de erkende maatregelenlijst beschrijft technische en economische randvoorwaarden.

Technische randvoorwaarden

Voor de erkende maatregelen zijn (waar nodig) technische randvoorwaarden beschreven. Voor het installeren van een HR-ketel bijvoorbeeld is een technische randvoorwaarde dat condens- en rookgasafvoer mogelijk is. Als het aanleggen van de afvoer onmogelijk is, dan is de maatregel voor de ondernemer niet van toepassing.

Economische randvoorwaarden

Ook economische randvoorwaarden bepalen of een maatregel van toepassing is. Zo kunnen voor grote gebouwen lagere energieprijzen gelden. Hierdoor kan een bepaalde maatregel niet rendabel zijn. Per maatregel is dan vastgelegd dat de maatregel alleen geldt voor gebouwen kleiner dan een bepaald aantal vierkante meter. Het aantal vierkante meter varieert per bedrijfstak en per maatregel.

Natuurlijke en zelfstandige momenten

Sommige maatregelen zijn alleen rendabel bij een natuurlijk moment. Bijvoorbeeld bij het 'vervangen van conventionele armaturen met fluorescentielampen voor verlichting door armaturen met LED-lampen'. Dan is de totale verlaging van energiekosten groter als er toch al nieuwe verlichting nodig was. De reden daarvoor kan zijn dat de lampen aan vervanging toe waren. Of omdat de ondernemer gaat verbouwen waarbij hij de oude verlichting uit het plafond verwijdert.

Ook het moment van gevelonderhoud, is een voorbeeld van een natuurlijk moment. De investeringskosten van een energiebesparende maatregel zijn op een natuurlijk moment vaak lager. De ondernemer moet dan toch al investeringskosten maken. Bij een natuurlijk moment zijn daarom bij het bepalen van de verlaging van de energiekosten alleen de meerkosten van maatregelen meegenomen. Als de maatregel alleen op een natuurlijk moment rendabel is, dan is dat bij die maatregel aangegeven. De drijver hoeft deze maatregel dan alleen op een natuurlijk moment te treffen.

Een natuurlijk moment in een inrichting doet zich voor als de drijver een gepland of ongepland investeringsmoment heeft. Geplande investeringsmomenten zijn bijvoorbeeld:

  • Regulier preventief onderhoud (periodiek onderhoud van installaties en technieken).
  • Groot preventief onderhoud (zoals het stilleggen van productieprocessen).
  • Oprichten, uitbreiden en/of veranderen van installaties en activiteiten binnen een inrichting (zoals nieuwbouw, uitbreiding bedrijfsactiviteiten, wijzigen bedrijfsformules).
  • Wijzigingen van eigendom en/of in bedrijf nemen van een gebouw (als de nieuwe eigenaar bij verhuizing, verkoop of aankoop van gebouwen het pand verbouwt of nieuwe apparatuur of machines plaatst).

Ongeplande investeringsmomenten zijn bijvoorbeeld het defect raken van installaties en technieken waardoor vervanging of reparatie nodig is.

De drijver van de inrichting weet zelf het beste of sprake is van een natuurlijk moment. Daarom geeft hij/zij aan wanneer deze momenten zich voordoen in de bedrijfsvoering en welke situaties als ongeplande natuurlijke momenten te bestempelen zijn. Op dat moment treft de drijver de erkende maatregel voor energiebesparing.

Het bevoegd gezag kan hier met de drijver van de inrichting afspraken over maken. Als ondanks de gemaakte afspraak een gepland onderhoud of een verbouwing niet doorgaat, dan vervalt het natuurlijk moment en daarmee ook de afspraak.

Heeft een ondernemer zich in het verleden niet aan zijn afspraken gehouden, dan kan dit een reden zijn om afspraken over natuurlijke momenten in maatwerkvoorschriften vast te leggen. Bij (ver)bouwen met bouwvergunning, kan het bevoegd gezag bij verlening van de bouwvergunning de drijver aanspreken op het nemen van energiebesparende maatregelen.

Naast 'natuurlijke momenten' spreekt de Activiteitenregeling ook van 'zelfstandige momenten'. Dit houdt in dat een maatregel zich op elk moment terugverdient binnen 5 jaar, ook als er geen sprake is van een natuurlijk moment.

Als er op korte termijn een natuurlijk moment aankomt, kan de (toch al rendabele) maatregel goedkoper uitgevoerd worden. Het is dan redelijk dat het bevoegd gezag hiermee rekening houdt.

In bijlage 10 van de Activiteitenregeling is het moment van realisatie, natuurlijk of zelfstandig, per erkende maatregel aangegeven.

Bijzondere omstandigheden

Naast het Activiteitenbesluit stelt ook de technische bouwregelgeving eisen aan energiezuinigheid van nieuw te bouwen gebouwen. Deze eisen staan in het Bouwbesluit 2012 en het Besluit energieprestatie gebouwen. In bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn bij een aantal maatregelen ook bijzondere omstandigheden ingevuld. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de maatregel als getroffen kan worden beschouwd. Dit kan het geval zijn voor een gebouw bij een bepaald energielabel of vanaf een bepaald bouwjaar.

Het Bouwbesluit 2012 (artikel 5.2) bevat voorschriften voor de energieprestatiecoëfficiënt. Ieder nieuw gebouw voldoet hieraan bij oplevering.

Het Besluit energieprestatie gebouwen kent een energielabel dat bij verkoop of huur aan de koper of huurder moet worden overhandigd. Dit energielabel is 10 jaar geldig.

De toezichthouder kan aannemen dat de gebouwgebonden maatregelen aanwezig zijn als:

  • Als sprake is van nieuwbouw en het gebouw dus aan de energieprestatienorm voldoet.
  • Een energielabel beschikbaar is dat minder dan 10 jaar oud is.

Voor kantoren geldt dat de maatregel 'Warmte- en koudeverlies via buitenmuur beperken' is genomen als er minimaal energielabel C is. Ook bij nieuwbouw met een bouwjaar van 2003 of later geldt dit. Dergelijke uitzonderingen gelden alleen voor maatregelen die ingrijpen op de gebouwschil of gebouwgebonden maatregelen als verwarmen, isoleren, koelen, verlichten, warm tapwater en ventileren. Verder geldt de uitzondering alleen voor het gebouw waarop het energielabel of waarop de energieprestatiecoëfficiënt betrekking heeft. Voor de overige gebouwen van de inrichting is de uitzondering niet van toepassing.

Zoals bij alle energiebesparende maatregelen geldt voor de gebouwgebonden maatregelen dat de ondernemer de maatregelen juist moet gebruiken en onderhouden. De maatregelen moeten energetisch zo goed mogelijk zijn ingeregeld. Doelmatig beheer en onderhoud blijft hier dus een aandachtspunt.


Uw onderwerpen