Bijlage 10 bij de Activiteitenregeling

De erkende maatregelen voor energiebesparing hebben als doel om op een eenvoudige en praktische manier energiebesparing te bereiken. Het geeft de drijver en het bevoegd gezag meer duidelijkheid over de gewenste bescherming van het milieu.

De energiebesparingsverplichting uit het Activiteitenbesluit is in de Activiteitenregeling verder uitgewerkt. De detailinformatie staat in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling en geeft op hoofdlijnen informatie over:

  • De reikwijdte van de lijsten (voor welke inrichtingen zijn de maatregelen van toepassing), via SBI-codes (Standaard BedrijfsIndeling-codes).
  • De activiteiten en maatregelen die van toepassing zijn (in een tabel).
  • De erkende maatregelen in relatie tot technieken (in een uniform format).
  • In de bijlage van de Regeling staat alleen de juridisch noodzakelijke tekst. In de Kennisbank Energiebesparing en Winst zijn de erkende maatregelen uitgebreider en toegankelijker beschreven.

Deze pagina gaat in op de volgende onderwerpen.

Reikwijdte van de erkende maatregelenlijsten

De maatregelenlijsten gelden per bedrijfstak. Bijlage 10 bij de Activiteitenregeling beschrijft deze bedrijfstakken op hoofdlijnen. Bij de indeling van deze bedrijven worden veelal vaak SBI-codes gebruikt. Deze zijn aangegeven in de inleiding van de maatregelen per bedrijfstak in bijlage 10.

De erkende maatregelenlijst is een uitputtende lijst. Behalve: voert de drijver alle maatregelen uit de lijst uit en is het beheer en onderhoud goed? Dan voldoet de inrichting aan artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit.

Bedrijfsspecifieke activiteiten die niet in de lijst staan, kan het bevoegd gezag geen maatregelen verlangen. Bij het opstellen van de maatregelenlijst bleek dan dat voor deze activiteiten geen maatregelen beschikbaar zijn in vijf jaar terug te verdienen zijn. Dit wil niet zeggen dat het voor individuele ondernemers niet aantrekkelijk kan zijn om toch andere maatregelen te treffen. Dit is vrijwillig en kan het bevoegd gezag niet afdwingen.

Er kunnen ook sectorafwijkende activiteiten of gebouwen binnen de inrichting aanwezig zijn. Dit vraagt een andere aanpak om aan de besparingsverplichting te voldoen.

Activiteiten en maatregelen

De erkende maatregelen zijn vaak gekoppeld aan activiteiten met dezelfde indeling als in het Activiteitenbesluit.

Voor gebouwgebonden maatregelen en enkele bedrijfstakspecifieke maatregelen zijn geen geschikte (bestaande) activiteiten in het Activiteitenbesluit genoemd. Uitzondering hierop is ruimteverwarming met een stookinstallatie. Voor gebouwen zijn dit bijvoorbeeld maatregelen voor:

  • isolatie
  • ruimteventilatie
  • ruimteverwarming
  • ruimte- en buitenverlichtingsinstallatie

Voor faciliteiten zijn dit bijvoorbeeld maatregelen voor:

  • stookinstallatie
  • persluchtinstallatie
  • liftinstallatie

Voor processen zijn dit bijvoorbeeld maatregelen voor:

  • spuitcabine
  • oven
  • procesbaden

Format van de maatregelen in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling

Maatregelen en technieken

Er is een onderscheid tussen maatregelen en technieken. In een enkel geval zijn er meerdere technieken per maatregel. De drijver heeft dan de keuze uit meerdere technieken om het doel te bereiken en kiest de techniek die het beste aansluit bij de bedrijfsvoering.

Om de gewenste energiebesparing te behalen, zijn per techniek uitgangspunten genoemd. Het gaat om:

  • Referentiesituatie
  • Technische randvoorwaarde
  • Economische randvoorwaarde
  • Zelfstandige en natuurlijke momenten
  • Bijzondere situaties

Uitgangssituatie op basis van referentietechniek

De technieken zijn doorgerekend ten opzichte van de uitgangssituatie: de te vervangen 'onzuinige' technieken of de te voorkomen of te beperken situaties. Een voorbeeld van zo'n situatie is een bedrijfshal die alleen vorstvrij wordt gehouden en waar de temperatuur in de hal 4 °C blijft. Hier hoeft de ondernemer geen maatregelen te treffen die verlies van warmte tegen gaan. Dat is anders als de temperatuur in deze hal continu 17 °C is. Omdat de stookkosten lager zijn in de eerste situatie is de mogelijke energiebesparing ook lager. De genoemde uitgangssituatie is dan 'Binnentemperatuur is tijdens stookseizoen en tijdens werktijden minimaal 17 °C en totaal bruto verwarmd vloeroppervlak is minimaal 150 m2.

De uitgangssituatie kan ook een bepaalde techniek zijn. Bijvoorbeeld de techniek 'ledlamp in bestaande armatuur toepassen'. Als de huidige techniek een gloeilamp is dan bespaart men meer energie, dan in geval van een spaarlamp. De genoemde uitgangssituatie is dan 'gloeilamp is aanwezig'. Soms staan per techniek verschillende uitgangssituaties. Zijn al deze uitgangssituaties bij het bedrijf van toepassing? Dan moet het bedrijf alle 'bijbehorende' energiebesparende technieken toepassen.

Technische en economische randvoorwaarden

Het format van de erkende maatregelenlijst beschrijft technische en economische randvoorwaarden.

Technische randvoorwaarden

Voor de erkende maatregelen zijn (waar nodig) technische randvoorwaarden beschreven. Voor het installeren van een HR-ketel bijvoorbeeld is een technische randvoorwaarde dat condens- en rookgasafvoer mogelijk is. Als het aanleggen van de afvoer onmogelijk is, dan is de maatregel voor de ondernemer niet van toepassing. Meestal spreken de technische randvoorwaarden voor zichzelf.

Economische randvoorwaarden

Ook economische randvoorwaarden bepalen of een maatregel van toepassing is. Zo kunnen voor grote gebouwen lagere energieprijzen gelden. Hierdoor kan een bepaalde maatregel niet rendabel zijn. Per maatregel is dan vastgelegd dat de maatregel alleen geldt voor gebouwen kleiner dan een bepaald aantal vierkante meter. Het aantal vierkante meter varieert per bedrijfstak en per maatregel.

Natuurlijke en zelfstandige momenten

In bijlage 10 van de Activiteitenregeling staat per maatregel of deze zich terugverdient op een zelfstandig of natuurlijk moment.

Natuurlijke momenten

Sommige maatregelen zijn alleen rendabel bij een natuurlijk moment. Bij een natuurlijk moment moet de drijver toch al kosten maken voor vervanging of reparatie. Alleen de meerkosten ten opzichte van de kosten die de drijver toch al moet maken zijn van belang voor het bepalen van de terugverdientijd.

Gepland natuurlijk moment

Een natuurlijk moment in een inrichting doet zich voor als de drijver een gepland of ongepland investeringsmoment heeft. Geplande investeringsmomenten zijn bijvoorbeeld:

  • Regulier preventief onderhoud (periodiek onderhoud van installaties en technieken).
  • Verbouwen
  • Vervanging
    • van verlichting, als de drijver toch al de oude verlichting uit het plafond haalt
    • verwarmingsinstallatie, als de oude ketel toch al aan vervanging toe is
  • Groot preventief onderhoud (zoals het stilleggen van productieprocessen).
  • Oprichten, uitbreiden en/of veranderen van installaties en activiteiten binnen een inrichting (zoals nieuwbouw, uitbreiding bedrijfsactiviteiten, wijzigen bedrijfsformules).
  • Wijzigingen van eigendom en/of in bedrijf nemen van een gebouw (als de nieuwe eigenaar bij verhuizing, verkoop of aankoop van gebouwen het pand verbouwt of nieuwe apparatuur of machines plaatst).

Ongepland natuurlijk moment

Ongeplande investeringsmomenten zijn bijvoorbeeld het defect raken van installaties en technieken waardoor vervanging of reparatie nodig is.

Afspraken maken over doorvoeren maatregel

Het bevoegd gezag kan hier met de drijver van de inrichting afspraken over maken. Als ondanks de gemaakte afspraak een gepland onderhoud of een verbouwing niet doorgaat, dan vervalt het natuurlijk moment en daarmee ook de afspraak.

Heeft een drijver zich in het verleden niet aan zijn afspraken gehouden, dan kan dit een reden zijn om afspraken over natuurlijke momenten in maatwerkvoorschriften vast te leggen. Bij (ver)bouwen met een omgevingsvergunning voor bouwen, kan het bevoegd gezag bij verlening van de vergunning de drijver wijzen op het nemen van energiebesparende maatregelen.

Zelfstandige momenten

Naast 'natuurlijke momenten' zijn er ook 'zelfstandige momenten'. Dit houdt in dat een maatregel zich op elk moment terugverdient binnen 5 jaar, ook als er geen sprake is van een natuurlijk moment.

Als er op korte termijn een natuurlijk moment aankomt, kan de (toch al rendabele) maatregel goedkoper uitgevoerd worden. Het is dan redelijk dat het bevoegd gezag hiermee rekening houdt.

Bijzondere omstandigheden

Het onderdeel "bijzondere omstandigheden" gaat over het energielabel en de leeftijd van het gebouw.

Bouwregelgeving

Naast het Activiteitenbesluit stelt ook de bouwregelgeving eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. Deze eisen staan in het Bouwbesluit 2012 en het Besluit energieprestatie gebouwen. Als de energiezuinigheid al in de bouwregelgeving staat, zou een plicht in het Activiteitenbesluit een overlapping betekenen.

Het Bouwbesluit 2012 (artikel 5.2) bevat voorschriften voor de energieprestatiecoëfficiënt. Ieder nieuw gebouw voldoet hieraan bij oplevering.

Energielabel en nieuwbouw

Het Besluit energieprestatie gebouwen kent een energielabel dat bij verkoop of huur aan de koper of huurder moet worden overhandigd. Dit energielabel is 10 jaar geldig.

Het gebouw is voldoende energiezuinig als:

  • Er sprake is van nieuwbouw en het gebouw dus aan de energieprestatienorm voldoet.
  • Een energielabel beschikbaar is dat minder dan 10 jaar oud is.

Gebouwgebonden maatregelen

Dergelijke uitzonderingen gelden alleen voor maatregelen die ingrijpen op de gebouwschil of gebouwgebonden maatregelen als verwarmen, isoleren, koelen, verlichten, warm tapwater en ventileren.

De uitzondering geldt alleen voor het gebouw waarop het energielabel of waarop de energieprestatiecoëfficiënt betrekking heeft. Voor de overige gebouwen van de inrichting is de uitzondering niet van toepassing.